A.L. Snijders

Angela van der Elst ,

Zeer korte verhalenschrijver en VPRO-gidscolumnlist A.L. Snijders opent het festival met een speciaal geschreven ZKV (zeer kort verhaal), jureert bij Reis om de wereld in 80 woorden en geeft later op de dag een workshop korte verhalen schrijven.

'Wat is de houding van de gefilmde, wat raad je aan?'


Kunstenaar Joost Conijn heeft een film gemaakt over VPRO Gids-columnist en zeer-korte-verhalenschrijver A.L. Snijders:
Een handige dromer. ‘We staan hier tegenover elkaar als twee absolute tegenpolen.’

‘Is het interview al begonnen?’ Soms is het niet duidelijk wanneer precies iets een aanvang neemt. Kunstenaar Joost Conijn (40) haalt ons op om samen in zijn crèmekleurige Citroen cx Break, waaraan hij sinds de koop in Zuid-Frankrijk een paar jaar geleden lang gesleuteld heeft, naar het oosten van het land te zoeven. Daar namelijk woont A.L. Snijders (74), schrijver van het zelfverzonnen genre ‘zeer korte verhalen’, die in november 2010 de Constantijn Huygensprijs voor zijn oeuvre kreeg. Hij is bevriend met Conijn die op de kunstacademie een klasgenoot was van Snijders jongste zoon, en onderwerp van Conijns nieuwste film: Een handige dromer.
De film is een in grote vrijheid tot stand gekomen origineel portret van vorm en inhoud, dat minstens zoveel zegt over de maker als de hoofdpersoon. Zo zien we in de eerste scène Snijders, terwijl hij met de krant in zijn hand over het pad van de brievenbus terug naar zijn boerderij loopt: ‘Moet ik doen alsof ik niks merk, Joost? Wat is de houding van de gefilmde, wat raad je me aan?’ Conijn, die bij voorkeur alles altijd zelf doet en dus zowel de cameraman, geluidsman, regisseur en editor is: ‘Alles, maakt niet uit. Alles kan.’

Tegenpolen

Alles kan. Wat je maar wilt. Maar daar moet je wel iets voor doen. Toch? Je eigen vliegtuig bouwen en ermee naar Afrika vliegen, zoals Conijn in 2010 deed. Elke dag even gaan zitten om een stukje schrijven, zoals Snijders al jaren doet, al is er ook altijd wel wat te hakken (hout voor de haard), te schilderen (kozijnen), te voeren (de kip). Conijn zegt tegen Snijders in Een handige dromer, nadat de tweede heeft verteld hoe hij eigenlijk een hoge torenbouwer had moeten zijn, een kunstwerkenmaker waar niemand om gevraagd heeft ‘Jij valt helemaal niet samen met wat je had willen zijn of doen, met wie je bent.’ Eerder had Snijders over Conijn opgemerkt: ‘Misschien maak jij al je dromen waar. We staan hier tegenover elkaar als twee absolute tegenpolen.’
Snijders tikt met het tempo waarin zijn hersens werken, met als gevolg dat hij zichzelf nooit voorbij kan rennen. Conijn is bezig met het schrijven van een boek over zijn vliegavontuur, fantaseert over een nieuw toestel waarmee hij naar de andere kant van de wereld wil reizen, denkt aan het bouwen van een huis, en heeft tussen de bedrijven door deze film gemaakt. ‘Ik kom hier al twee jaar met mijn camera,’ zegt hij als hij tijdens het uitstappen op de plaats van bestemming zijn tassen bij elkaar pakt, ‘het is een soort gewoonte geworden om hem mee te nemen.’ De camera zal vandaag in de tas blijven. Dat is wennen voor Conijn, die graag bezig is, een reden heeft om ergens te zijn. Wat was de aanleiding om Snijders te gaan filmen? ‘Ik weet nooit zo goed waarom ik dingen doe. Soms pas achteraf. Misschien was het nieuwsgierigheid naar hoe een schrijver dat doet: schrijven. Omdat ik dat zelf ging doen over mijn vliegreis.’

Objectkeuze
‘De weg is bestendig daadloos, nochtans blijft niets ongedaan.’ We zijn nauwelijks bij Snijders binnen of de boomlange schrijver, die heen en weer loopt tussen keukentafel en warm wordende ovenbroodjes, citeert een van zijn favoriete regels uit de Tao Te Ching, de bijbel van het taoïsme. ‘Van de vele vertalingen die ik heb is dit de beste. Omdat ik dat “bestendig” erin wil hebben, en ook “nochtans”. Het is al 2500 tot 3000 jaar oud en mijn grondregel.’
De Chinese wijsheid tekent de man die in Een handige dromer zegt dat de zaken komen zoals ze zelf willen, dat ze niet planbaar zijn. Hij heeft de film nog niet gezien. ‘Het is Joosts werkstuk, daar heb ik totaal niets mee te maken, ik heb me ook tijdens het maken nergens mee bemoeid. Een voorbeeld daarvan is dat ik er niks van heb gezegd toen Joost me een keer tijdens een lezing twee uur lang op vijftig centimeter afstand in mijn gezicht heeft staan filmen. Toen ik “ja” zei op zijn verzoek heb ik daarmee de objectkeuze gemaakt en vanaf toen alles gedaan wat Joost wilde. Ik heb ook nooit iets aangeboden waar niet om was gevraagd, ik ben zelf volstrekt initiatiefloos.’
Snijders zinnen waaieren alle kanten uit, meanderen van de vraag waar een antwoord op leek te komen via een anekdote over een door het veld passerende zwerfkat en herinneringen aan de enige drie vluchten die Snijders ooit in zijn leven maakte, naar de rillingen die hem over de rug lopen als iemand zegt maar één vriend in zijn leven te hebben. Conijn, een man van weinig woorden, lacht wat en slaat soms ineens een haakse bocht. ‘Maar één vrouw dan weer wel.’

Leeftijdsverschil

De film kent ook dat soort momenten. Kennelijk is er genoeg vertrouwen om Conijn de gelauwerde schrijver te laten vragen of hij zichzelf door al dat gerommel op zijn erf niet afhoudt van het echte werk: een grote roman. Oud-onderwijzer Snijders spreekt met genegenheid als hij Conijn vergelijkt met een eik, ‘met een keiharde kern die helemaal van jou zelf is en waar praatjesmakers, leraren en ontwerpers nooit dichtbij komen’. Conijn weet het beter als het over gereedschap gaat en het weer aan de praat krijgen van een motor, in een lange opname registreert hij het geploeter van Snijders om een boomstam achter op zijn trekker te krijgen. ‘Je moet het je helemaal niet makkelijker maken,’ haalt Snijders wederom een taoïstische levensbenadering aan. Wat is de winst van dingen sneller doen?
Het leeftijdsverschil tussen de heren lijkt een voorwaarde voor hun vriendschap (Conijn: ‘Jij bent zó oud’), het creëert ruimte, voorkomt dat ze elkaars concurrenten zijn, dat jaloezie een rol speelt. Conijn gaat wel eens mee naar een lezing van Snijders (‘Dan introduceert hij me met: “Joost schrijft zoals ik zou willen schrijven”’), Snijders voert Conijn op als personage in de verhaaltjes die hij de wereld in stuurt. ‘Joost is een soort genie op maatschappelijk niveau.’
En nu? Op weg terug naar Conijns auto (Snijders: ‘Durf je met hem mee te rijden? Ik heb ooit één ritje met Joost aan het stuur gemaakt, van hier tot naar het einde van het pad, en dat was genoeg’) zegt Snijders dat er geen enkel verschil is tussen hun ontmoetingen met en zonder camera. ‘Dit geeft aan hoe het ging.’ Conijn, als altijd zonder blad voor de mond: ‘Maar ik kom nu denk ik wel iets minder vaak langs. Ik heb niks meer te doen hier.’