Jonge dichters

Knusperfrische gedichten door vijf jonge talenten, in leeftijd variërend van 24 tot 37. Je kunt je afvragen wanneer jong ‘verminderd jong’ en aanstormend ‘aangestormd’ mag gaan heten, maar wie zich liet lokken door de belofte van spannende, vernieuwende poëzie werd op zijn wenken bediend.

Poëzie krijgt het op literatuurfestivals soms zwaar te verduren, wanneer de literair-vraatzuchtige festivalgangers luidruchtig van zaal naar zaal rennen om de (regelmatig nog gehalveerde of gevierendeelde) programma-onderdelen van hun privéblokkenschema te combineren. Maar in de broeierig warme Tuinzaal van De Brakke Grond weten vijf jonge tot iets-minder-piepjonge dichters de aandacht van de zaal moeiteloos te winnen.

Onder hen is het gehalte oud-slampions (inderdaad, oud-kampioenen van het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam) indrukwekkend hoog. Allereerst treden Daan Doesborgh (kampioen in 2010) en Ellen Deckwitz (kampioen in 2009) op, aanvankelijk ieder afzonderlijk. Maar als Ellen solo een gedicht voordraagt loopt het plots spaak. De raderen haperen en Ellen klapt als een uitgewerkte robot voorover. Gelukkig snelt Daan haar, zo snel als zijn robotpassen hem vooruit en het podium op brengen, te hulp. Hij geeft haar ingeblikte monotone dichtadviezen ('insert metaphor, insert meaningless line') en waarschuwingen ('error: autobiographical danger') waarmee robot-Ellen weer op gang komt en verder dicht. Met vingerwijzingen als insert 'new character, ‘insert intertextuality’ komt het gedicht tot een volkomen geslaagd einde. Robot-Daan commandeert het publiek: ‘insert applause’.

Klaske Oenema mocht in 2006 bij haar afstuderen aan de afdeling beeld en taal van de Rietveld Academie 2006 de Publieksprijs mee naar huis nemen. Behalve dichter is ze ook kunstenaar en zangeres. In 'Kapstok', een gedicht over het ouderlijk huis, dicht ze over herinneringen die zich aan het lichaam en aan plaatsen hechten: ‘Het huis waar ik allang niet meer woon / zit in mijn lichaam / waar de spiegel hing, draai ik me om / er opent zich iets en iets sluit zich / boven de hondenriem en de sleutel’. Els Moors, die in 2007 de Herman de Coninckprijs won voor haar poëziedebuut, leest een gedicht voor ‘waarin niets gebeurt’. ‘In Gorinchem ligt een baal hooi in de berm’, ‘een staalkabeldraad hangt hoog in een kraan’, ‘als een hoek in de lucht’. ‘Gorinchem’ en de beelden keren terug en weerom, steeds in verschillende volgorde, en doen denken aan het fascinerende, beroemde gedicht ‘Er lag een steen op de weg’ van Carlos Drummond de Andrade.

Krijn Peter Hesselink (slampion in 2006) draagt voor uit een poëziebundel met waterschade – hij heeft zijn boekje uit pure ontspanning (maar wel per ongeluk) een beetje gemarineerd op een vochtig tafeltje. Alle gedichten die hij voordraagt gaan over dezelfde vrouw, al ‘doe ik net alsof dat niet zo is’, aldus Hesselink. Gedichten over hoe het is als je opeens nergens anders meer slaapt dan in het bed van het nieuwe meisje. En over hoe het – vermoedelijk – begon, met een uitnodiging voor een kopje thee, die linea recta naar het bed leidt: ‘hier zette zij normaliter haar thee’. Het gedicht eindigt met ‘ongeduldig fluit het water dat niet wachten kan tot….’, en het publiek wacht in vakkundig opgebouwde spanning. Een tijdje. Dan volgt gelach, en Krijn Peter vraagt zich hardop af hoe lang hij de stilte de volgende keer zal durven laten duren.

Wie in een theater dat vernoemd is naar The Waste Land (en dan ook nog eens in de Tuinzaal, of all places) vijf jonge dichters mag zien optreden en spannende, goede poëzie mag beluisteren heeft alle reden de zaal na afloop zelf ook langdurig fluitend te verlaten.