Geen galm

Wim Brands ,

Poetry International 2014

De gedichten van Seamus Heaney blijven altijd geaard. Hij schrijft op een doodnormale manier over zoiets als een mystieke ervaring, die primair een alledaagse ervaring is. Poetry International heeft een special over hem.

Ik ben jaloers op mijn vriend Roel Bentz van den Berg die in 1974 Seamus Heaney ontmoette tijdens een liftvakantie door Ierland. Roel had geen idee met wie hij ’s avonds gehaktballetjes, gebakken paprikareepjes en aardappelen in de schil uit eigen tuin at. Ook niet toen het Grote Zingen begon, zoals te doen gebruikelijk bij echte Ieren. Pas later las hij de gedichten van Heaney, zoals bijvoorbeeld de schitterende bundel North, gedichten die branden als de best denkbare Ierse turf. Het was toen dat hij zich – met terugwerkende kracht – realiseerde dat die avond met Heaney van paprikareepjes tot zingen vervuld was geweest met poëzie zonder dat er een gedicht werd voorgelezen.

Het verhaal van Roel dient zich vaak aan als ik een bundel van Heaney uit de kast pak. Niet zelden hoor ik dan ook het mooiste lied dat ik ken: And it stoned me van Van Morrison, waarin hij twee jongens bezingt die ergens in dat Ierse landschap kleddernat regenen terwijl ze tegen een hek leunen en tegelijkertijd vervuld worden van dat zeldzame gevoel dat je volop aanwezig bent in die wonderbaarlijke wereld en dat zelfs de regen je niet kan deren, sterker nog, dat die regen je ziel laat glanzen. Het is die aardse manier waarop een mystieke ervaring wordt bezongen die Van Morrison een groot kunstenaar maakt. Hij staat met beide benen in de modder terwijl hij omhoog kijkt. Zoals Heaney, als hij vertelt over de monniken van Clonmacnoise aan wie tijdens het bidden een luchtschip verscheen. Met een anker dat bleef steken achter de stang van het altaar. Een lid van de bemanning probeerde het tevergeefs los te maken.

‘Deze man kan ons leven hier niet verdragen
En verdrinkt,’ zei de abt, ‘tenzij we hem helpen.’ Dus
Hielpen ze hem, voer het bevrijde schip  weg en klom de man
Terug uit het wonderbaarlijke zoals hij het gekend had.


(Vertaling Peter Nijmeijer)

Ik weet nog dat ik dit gedicht voor het eerst las en op de enige agenda plakte die ik ooit heb bezeten. Ik herlas het elke dag totdat het voor altijd in mijn hoofd zat. Waar het nu nog woont als het onomstotelijke bewijs dat je op een doodnormale manier kunt schrijven over zoiets als een mystieke ervaring. Dat dat om te beginnen een alledaagse ervaring is.

Heaney is sowieso uit ander hout gesneden dan de doorsneedichter. Zo vroeg een interviewer van de Paris Review hem of hij in Satan gelooft. Goede vraag, antwoordde hij. En dan: ‘He’s still sort of alive and well when I remember that old prayer they used to intone at the end of Mass about Satan roaming through the world seeking the ruination of souls’.

Goed antwoord, denk ik als ik dit lees. En ook: waarom galmt Heaney nooit? Omdat zijn gedichten altijd geaard blijven, of hij nu vertelt over de monniken of een hooivork bezingt:

Van alle gereedschappen raakte de hooivork het dichtst
aan hoe hij zich volmaaktheid voorstelde:
als hij zijn opgeheven hand balde en ermee mikte,
voelde ze als een speer, doeltreffend en licht.


(Vertaling Onno Kosters, Han van der Vegt)

Het 45ste Poetry International Festival Rotterdam vindt van dinsdag 10 t/m zaterdag 14 juni plaats in de Rotterdamse Schouwburg. Dichters uit alle windstreken lezen voor, geven masterclasses en gaan met elkaar in gesprek.

Een ode aan de grootse Ierse dichter, ‘Whatever you say, say nothing’ Seamus Heaney, is vrijdag te zien in de grote zaal van de Schouwburg van 18.30-19.30 uur. Met onder andere voordrachten en lezingen van Norbert Hummelt en Habib Tengour.