Interview met Rudi Rotthier, winnaar van de Bob den Uyl Prijs 2004. De prijs werd op 27 februari 2004 in Rotterdam uitgereikt aan de Belgische journalist Rudi Rotthier voor zijn boek 'De koranroute'. Een kennismaking met de laureaat.

Op 23 december 2001, enkele maanden na de aanslagen in Amerika, vertrok Rudi Rotthier voor een lange reis door moslimgebied. Terwijl in de hele westerse wereld verhit werd gedebatteerd over de rol van ‘de moslim’ en ‘de islam’, ging Rotthier op zoek naar de nuance in uiteenlopende landen als Marokko, Mauretanië, Algerije, Nigeria, Libanon, Syrië, Egypte, Israël, Saudi-Arabië, Iran en Indonesië. Hij ontmoette honderden gewone en minder gewone moslims. Ruim een jaar lang berichtte hij dagelijks in De Morgen over zijn ervaringen. Zijn verzamelde reisimpressies verschenen bij uitgeverij Atlas als De koranroute. Sinds 1 januari reist hij door de Verenigde Staten, waarvan hij wederom dagelijks verslag doet in De Morgen.
 

Rudi Rotthier, net terug uit de Verenigde Staten, had problemen op Schiphol. Ruim twintig kilo boeken torste hij mee. En je mag, bleek nu, slechts boeken ter waarde van 150 euro invoeren. Maar omdat hij al binnen een paar dagen terugvliegt, mocht hij zijn boeken uiteindelijk zonder bijbetaling meenemen.
In 1989 deed de Belgische journalist Rudi Rotthier waarvan hij al jaren droomde. Hij zegde baan en huur op, verkocht bed en boeken, en ging op reis. Drie jaar zou hij weg blijven. Nu, vijftien jaar later, is Rotthier beroepsreiziger. ‘Het is voor mij niet zinvol om een huis te hebben. Het enige lastige is dat ik onderweg dikwijls geschenken krijg van mensen. Ik weet niet goed wat ik daar mee aan moet.’
Hij is speciaal overgevlogen om de eerste Bob den Uyl Prijs in ontvangst te nemen. De onderscheiding heeft hem verrast. ‘Dit is de eerste prijs sinds mijn twaalfde.’ Toen won hij een miniatuurfototoestel met, als hij zich goed herinnert, een opstelwedstrijd. ‘Ik werk al vijftien jaar in grote anonimiteit. Bij het grote publiek ben ik niet bekend. Het is merkwaardig zoiets te winnen.’ Zonder omwegen bekent hij nog nooit iets van Bob den Uyl te hebben gelezen. ‘In de Verenigde Staten heb ik op internet naar hem gezocht. Ik kwam gelijk een pregnant citaat tegen over Vlaanderen.’
 

Lees je graag reisliteratuur?
‘Zeker. Ik hou van klassieke reisschrijvers als Colin Thubron, Paul Theroux, V.S. Naipaul, Jonathan Raban, Bruce Chatwin. Het reisgenre wordt bevolkt door veel ijdeltuiten en egotrippers. Ook de betere auteurs hebben daar een handje van. Je vertrekt in het reisgenre als een halve idioot. Je gaat naar een gebied waar je de taal niet spreekt, waar je hooguit een paar boeken over hebt gelezen en dan hoop je op een soort innerlijke barometer die maakt dat je toch iets registreert dat de moeite waard is. In goeie reisliteratuur gebeurt iets dat nergens anders gebeurt; niet in de journalistiek en niet in de wetenschap. Naipaul is daar wellicht het beste voorbeeld van. Zijn werk is, zelfs nu het gedateerd is, van een indringendheid en pregnantie die je nergens terugvindt.’
 

Wat zijn jouw eigen drijfveren?
‘Voor mij is een keerpunt geweest een bezoek aan Ethiopië in 1984, tijdens de hongersnood. Een groep journalisten mocht onder leiding een opvangkamp bezoeken voor mensen die bijna van honger stierven. In dat kamp waren cameraploegen aanwezig die een visuele selectie maakten op het aantal ribben dat te zien was. Wie er te goed uitzag, moest uit beeld blijven. Terwijl je, als je rustig rondliep, bij mensen in hun tent werd uitgenodigd om thee te komen drinken, waarbij ze zich verontschuldigden dat ze geen suiker hadden. Natuurlijk werd er honger geleden, maar de waarheid lag zoveel genuanceerder dan wat de televisie voorschotelde. Mijn filosofie is dat je als reizend journalist vooral tijd nodig hebt. Je moet tijd kunnen verliezen, pas dan kun je op interessante dingen stuiten.’
 

Ben je altijd op reis?
‘Ik word fysiek onwel als ik niet reis. Ik ga dan joggen als substituut, om toch zoveel mogelijk kilometers te verplaatsen. Ook onderweg word ik na een week op dezelfde plek alweer onrustig, zelfs al is het er nog heel boeiend. Alle vormen van transport, behalve het vliegtuig, hebben op mij een sussende werking. Als alles in beweging is, kom ik tot rust. Dan bereik ik een verhoogde vorm van concentratie.’
 

Wat was het overheersende gevoel na je reis door moslimgebied?
‘De Arabische wereld was sterk in beroering, zo vlak na 11 september. De frustraties, toch al in grote mate aanwezig, liepen hoog op. De ontwikkelingen in Iran en Indonesië vond ik wel hoopgevend. In die landen heerst een meer open geest. Het zijn geen Arabieren, dus hebben de mensen meer dan één referentiepunt. Er is een mengelmoes van invloeden. In Indonesië zie je dat moslimgeestelijken ook aan voorouderverering doen. Dat loopt daar probleemloos door elkaar.
Aan de andere kant zie je dat in een land als Egypte, dat toch een heel rijke cultuur kende al vóór de komst van de islam, die open geest niet heerst. Wat mij wellicht het meest shockeerde was een bijeenkomst in Cairo van jonge journalisten waar over mensenrechten werd gesproken. De aanwezigen beschouwden het debat daarover als een vorm van westers imperialisme. Dat is erg voor henzelf, maar het zou ons ook aan het denken moeten zetten. De universele verklaring van de rechten van de mens is natuurlijk een westerse verklaring. Homorechten en seksuele rechten zijn onverenigbaar met de beginselen van de islam.’
 

Waarom is er in landen als Egypte en Syrië relatief weinig verzet tegen de gevestigde orde?
‘Simpelweg omdat de onderdrukking te groot is. De repressie is enorm. De geheime diensten zijn overal aanwezig. In Syrië, waar de islam een relatief kleine rol speelt, had ik echt het gevoel dat de muren oren hadden. De repressie was daar letterlijk voelbaar. De cultuur in die landen is geen vijftig jaar monddood gemaakt, zoals in Oost-Europa het geval was, maar wel driehonderd jaar. Je kunt concluderen dat in de seculiere landen de repressie nog groter is dan in de echte moslimlanden. Tunesië is ook zo’n voorbeeld. Dat heeft naar buiten toe een liberaal karakter, maar is in werkelijkheid een dictatuur. Dus misschien is de islam niet de kern van het probleem, maar slechts een onderdeel ervan. Zoals een Syrische advocate zei: de dictatuur zit ons in het hart gebrand.’
 

Een van de ergste landen was Saudi-Arabië. Ik had de indruk dat je het daar echt verschrikkelijk vond.
‘Saoudie-Arabië is een vreselijk land. Maar dat is niet zo gek als je kijkt naar de geschiedenis. Zeventig jaar geleden woonden er alleen nomaden in tenten, nu hebben ze een Mercedes en een schotelantenne. Het is een onnatuurlijke situatie om mensen die zo kort geleden nog op een kameel rondreden, zoveel geld te geven. Daar komt de dictatuur van hun locatie nog bij. Ze hebben de twee heilige plaatsen Mekka en Medina binnen hun grenzen en ze vervullen een voorbeeldfunctie voor de rest van de Arabische wereld.
Het is een platitude, maar wat me daar erg trof was het onderscheid tussen man en vrouw. Je ziet er domweg nauwelijks vrouwen. Driekwart van mijn reis door het land heb ik besteed aan het zoeken naar een vrouwelijke gesprekspartner.’
 

Je sprak evenwel met opvallend veel vrouwen gedurende je reis. Was dat overal moeilijk?
‘Ik heb onderweg vaak gedacht dat ik een vrouwelijke medereiziger had moeten hebben. Zij had toegang gekregen tot vrouwen thuis, tot hun wereld. Dat is voor mij als man volslagen onmogelijk. Ik kon hooguit vrouwen spreken op een bankje in het park, in de bus of op universiteiten. Het is mijn bedoeling, in de mate van het mogelijke, om zo passief mogelijk te zijn in het leggen van contact. Ik stap dus niet op mensen af; ik wacht tot ze zelf contact zoeken. Dat zijn de mensen die een echte mening hebben. Ik probeer beschikbaar te zijn en zo min mogelijk in te grijpen. Al gauw bleek dat mensen overliepen van kwaadheid over het feit dat zij geassocieerd werden met die aanslagen. Er werd massaal geloof gehecht aan een joods-Amerikaans complot om de moslims te fnuiken. Tegelijkertijd bestaat er een soort fierheid over die aanslagen, want de haat tegen Amerika is bijna net zo groot als die tegen Israël. De Amerikaanse argumenten worden ook nergens weergegeven. Hun kant van het verhaal komt in de pers domweg niet aan bod. Het beste werk wordt nog geleverd door Al-Jazeera dat medeplichtigen van de aanslagen van 11 september opzocht die voor de camera bijna stonden te pochen over hun prestaties.
Bin Laden wordt alleen in intellectuele kringen bekritiseerd. De meeste moslims zien hem als een Robin Hood-figuur die zijn eigen rijkdom opgeeft om het kwaad te bevechten. Het heeft mij bevreemd dat men daar zo open over was. De man op straat wilde Israël van de planeet vegen en vond Bin Laden een held, maar over de misstanden in eigen land werd in alle talen gezwegen.’
 

Je beschrijft hoe gaandeweg je sympathie voor de Palestijnse zaak plaatsmaakt voor begrip voor de Israelische opstelling.
‘Ik was al een maand of acht onderweg voor ik in Israel kwam en geen dag was voorbij gegaan zonder dat er enormiteiten over Israel werden beweerd. Er doen de meest bizarre verhalen de ronde. Over vierduizend joden die op 11 september niet op hun werk verschenen omdat ze op de hoogte waren van de aanslagen, over vernietigingskampen voor Palestijnen. Het hinderde mij in toenemende mate dat dit soort dingen werd beweerd terwijl niemand de moed had iets over de wandaden van het eigen regime te zeggen. In de meeste Arabische landen gebeuren veel ergere dingen dan in Israel met de Palestijnen. Kijk naar wat er in Algerije is gebeurd. Maar daarover wordt niet bericht in de rest van de Arabische wereld. Dat beschouwt men gemakshalve als een lokale aangelegenheid. Algerije is het enige land dat aan den lijve heeft ondervonden hoe het is slachtoffer te zijn van dit soort terrorisme.’
 

De solidariteit met de Palestijnen is onder Arabieren wel heel groot.
‘De solidariteit met de Palestijnen is heel betrekkelijk. Ze worden niet financieel gesteund. Om de Palestijnse vluchtelingen in Libanon bekommert niemand zich. Bij Palestijnse winkeltjes in Cairo kopen Egyptenaren niets. Het Palestijnse beeld over Israël is genuanceerder dan dat van de rest van de Arabische wereld. Palestijnen weten dat Israël ondanks alles altijd nog een beter land is dan alle landen eromheen. Joden trekken elkaar hogerop, terwijl Arabieren elkaar dieper in de put stampen.’
 

Hoe verklaar je die Arabische houding?
‘In de beginperiode was de islam veel kosmopolitischer dan nu. Een Libanees vertelde dat er ooit een geleerde was die zei dat Aristoteles de eerste van alle mensen was. Nu zou je als moslim gelyncht worden als je dat zei. Er is zo’n groot wantrouwen en zo weinig kennis. Kranten zijn lamentabel en er worden verhoudingsgewijs heel weinig boeken uitgegeven. Want als je de koran hebt, heb je geen andere boeken nodig. Het is een heel monomane wereld. Bezig met zichzelf zonder enige zelfkritiek. Israël en Amerika krijgen overal de schuld van. De afgelopen driehonderd jaar hebben Arabieren heel weinig over hun eigen lot kunnen beslissen. Ze zijn altijd speelbal geweest. Op zich is er geen enkele reden waarom een gebied met 300 miljoen Arabieren vol olie en andere waardevolle grondstoffen geen machtig gebied zou kunnen zijn. Het zou een potentiële wereldmacht kunnen zijn, maar de simpele Mohammed leeft nog altijd onder de armoedgrens terwijl hij weet dat er zoveel rijkdom in de grond zit. Dan is het wellicht makkelijker om de schuld bij anderen te zoeken.’
 

Je hebt zoveel gereisd. Dit was ongetwijfeld niet de leukste reis die je ooit hebt gemaakt.
‘Nee, zeker niet. Ik ben ooit van het noorden naar het zuiden van Afrika gereisd. Dat was puur genieten. Een van mijn dromen is ooit nog eens een trektocht met nomaden te maken. Omdat ik me in zeker opzicht met hen verwant voel. Ik zou graag weten hoe dat echt is. Maar er zijn nog veel meer plaatsen waar ik nooit geweest ben. Latijns-Amerika ken ik nog niet, Australië en Nieuw-Zeeland, de Pacific.’
 

Wat voor reis maak je nu?
‘Ik reis sinds begin dit jaar door de Verenigde Staten, als trajectie op de vorige reis. Het land van Bush wordt in de Arabische wereld als “grote duivel” beschouwd. Het Amerika-beeld in het oude Europa is ook heel kritisch. Dat vond ik een intrigerende cocktail. Ik was benieuwd naar hoe gewone Amerikanen daar zelf tegenaan kijken. Ook nu schrijf ik dagelijks een stukje in De Morgen, maar ik vind het ditmaal lastiger omdat het onderwerp minder evident is. Het wordt wel makkelijker naarmate de presidentsverkiezingen dichterbij komen. De polarisering wordt al duidelijker.’
 

Zijn Amerikanen zich bewust van de kritische houding van de rest van de wereld?
‘Het beeld over Amerika in het buitenland is geen prioriteit. Maar de oorlog is wel een heikel onderwerp. Die oorlog kost heel veel geld en ook mensenlevens. Ik ben in Philadelphia begonnen met mijn reis en daar kwam ik nauwelijks voorstanders van de oorlog tegen. De schok over het niet vinden van de massavernietigingswapens was echt heel groot bij de meeste mensen. Naarmate ik verder richting het zuiden trok, vond ik steeds meer voorstanders van de oorlog. Die vinden het feit dat een dictator als Saddam Hussein verjaagd is voldoende rechtvaardiging.’
 

Krijg je in België veel reacties op je stukken in de krant?
‘Vlamingen reageren niet. Die sturen geen ingezonden brieven of mailtjes. Ik denk dat ik in die dertien maanden die ik voor De koranroute heb gereisd, misschien vier of vijf reacties heb gekregen.’
 

Hoe lang denk je nog te blijven rondreizen?
‘Tot nu toe voel ik de drang tot reizen niet verminderen. Zolang ik het fysiek volhoud, zie ik geen reden om ermee te stoppen. Ik zou nergens voltijds willen wonen. Als het echt moest, dan misschien in Canada. Dat vond ik heel charmant. Die verlaten gebieden waar je nog kans maakt de eerste mens te zijn die z’n voeten daar neerzet. Dat is een soort oer-ervaring.
Ik ben België minder beu dan toen ik vertrok. Toen in in 1989 ontslag nam bij De Morgen en vertok, voelde ik een soort euforie dat ik de stap eindelijk had gezet. Ik zou drie jaar weg kunnen blijven, maar ook drie jaar was te eindig. Ik wilde geen enkele binding meer voelen.’
 

Tref je onderweg wel eens verwante zielen?
‘Ik tref veel mensen die rondreizen, maar de meesten zijn niet in goeie doen. Reizen en schrijven is een geschikte combinatie. Mensen die alleen reizen, komen na verloop van tijd niet meer uit hun bed. Die kunnen alleen nog maar praten over hoe goedkoop het ergens anders is en waar ze de beste shit hebben. Het was voor mij een ontgoocheling te merken dat die langetermijnreizigers over het algemeen niet zulke diepgaande figuren zijn.'