Martin Bril winnaar VPRO Bob den Uyl Prijs 2009

Op de vraag of het ondernemen van verre reizen het levensgeluk bevordert en daar­om aanbeveling verdient, valt in het werk van Bob den Uyl niet zonder meer een positief antwoord te vinden. Zijn boeken bevatten zelfs vrij veel argumenten om toch maar liever gewoon thuis te blijven. Maar als het om reisliteratuur gaat zit ‘m daar nu juist de paradoxale kneep. Een schrijver die zichzelf een te hoge vliegtaks oplegt, komt nooit terug met een mooi verhaal. Het mees­terschap van Den Uyl schuilt ‘m hierin dat hij niet zo lang of zo ver hoefde. Aan een fiets had hij vaak al genoeg. Den Uyl leert ons dat het niet de ver­richte inspanning, niet het aantal afgelegde kilo­meters en zelfs niet de verzamelde wetenswaar­digheden zijn die de kwaliteit van een reisverhaal bepalen. Het gaat er om wat je er mee doet.
Dit gezegd zijnde, moet de jury van de Bob den Uyl Prijs 2009 constateren dat de zeven titels op de shortlist toch alle zeven het resultaat zijn van een verre danwel een lange reis, en dat ze alle zeven veel kennis verraden van de behandelde materie. Maar gelukkig zijn ze ook vervat in een vorm en een stijl die tot lezen dwingt. Voor we tot deze zeven genomineerden besloten, passeerden veel boeken die heel adequaat waren geschreven maar waarvan de voornaamste verdienste toch het informatieve gehalte was, of dat nu van his­torische-, van journalistieke- of van toeristische aard was. Daarop heeft de jury dit jaar geen extra accent willen leggen. Die vielen af.
En toen? Al debatterend dook er een nieuw crite­rium bij deze jury op, namelijk de geconstateer­de mate van zelfingenomenheid van de schrijver. Begrijp ons goed: het kan een verdienste zijn wanneer je als lezer een auteur ontmoet, een echt mens met zijn eigen geschiedenis, zijn makkes en zijn hebbelijkheden. Je neemt jezelf tenslotte overal mee, heeft een groot dichter eens gezegd. Maar wil de lezer jou ook overal tegenkomen? Naar gelang de informatieve bedoelingen groter zijn, leek het deze jury minder belangrijk om met het ik van de schrijver geconfronteerd te worden. Een voor de hand liggende conclusie, denkt u wellicht. Maar dan wel een die door tientallen in­zenders voor deze prijs genegeerd is. Als het u om de feiten gaat, beperk u dan tot de feiten, zouden wij het gilde van de reisschrijvers willen meege­ven. Wanneer aan de hand van de reis een zelfpor­tret getekend dient te worden, doe dat dan in het besef dat dit heel moeilijk is en snel tot irritatie leidt. Vermoei ons niet met kleine lotgevallen die slechts dienen om de scènes in uw boek aaneen te rijgen. Misschien kreeg dat leven pas betekenis door uw reis, maar daarmee is nog niet gezegd dat het ook uw reisboek betekenis kan geven.
Hoe verschillend ook, voor de jury staat vast dat de zeven genomineerden allen op de een of ande­re manier aan de genoemde risico’s en bezwaren zijn ontkomen. Hun boeken verdienen het dan ook alle zeven zonder meer om gelezen te wor­den. Ik noem ze nu in willekeurige volgorde.
 

Dylan van Eijkeren’s Het beste land ter wereld speelt zich het dichtst bij huis af van de genoemde zeven, namelijk in België, en ook valt niet te ontkennen dat de schrijver zichzelf als personage fors neerzet. Op pagina 21 is hij al op zoek naar een bordeel. Hij omschrijft België als fysiek dichtbij en mentaal veraf en zijn eigen methode als ‘reizen op de bonnefooi, hier eens aanleggend, daar halt houdend, her stoppend en der pauzerend.’ Merk op dat we hier niet met een bij voorbaat originele visie op ons buurland te maken hebben en vervolgens met vier omschrijvingen van niet-reizen . Van aankomen en om je heen kijken. Dat laatste blijkt Van Eijkeren dan ook goed te kunnen. Zijn korte hoofdstuk­ken zijn schijnbaar willekeurige etappes die bij elkaar toch een route blijken te vormen, maar pas wanneer je het geheel overziet. Het is de zelfrelativerende stijl die het geheel bij elkaar houdt. In dat bordeel komt hij uiteraard nooit aan.
Jelle Brandt Corstius – genomi­neerd met Rusland voor gevorderden – heeft inmiddels op de televisie bewezen te kunnen luisteren als de beste. Met die gave ontlokt hij wijze, berustende, droevige en kolderieke uitspraken aan de bewoners van het grootste land van Europa. Wij leren de verslaggever nu ook kennen op papier. En dan blijkt dat hij niet alleen kan luisteren, maar ook kan schrijven. Hij voert zelf het woord en maakt ons on­gegeneerd deelgenoot van bijvoorbeeld zijn eten (oppas­sen daarmee!), zijn drinken (nog meer oppassen!), zijn angsten maar ook zijn zorgeloosheden. Hij ontpopt zich als een literaire reisgids die ons meesleept in een lange reeks van van tragische, komische maar ook regelrecht gevaarlijke gebeurtenissen. De ondertitel van zijn boek, ‘berichten van een overlever’, mag dan ook rustig letter­lijk genomen worden en stemde de jury in meer dan één opzicht gelukkig: na dit debuut valt er dus nog meer van hem te verwachten.
Marona van den Heuvel bereisde voor Bentleys in de steppe een ander deel van het voormalige Sovjet-impe­rium: Kazachstan. De titel van dit boek lijkt op het eerste gezicht wat eendimensionaal maar niet alleen dekt het beeld de lading, zij weet die lading ook met veel kennis van zaken en veel inle­vingsvermogen te duiden en betekenis te geven. Ze komt dichtbij de bewoners uit het land dat de meeste lezers alleen maar zullen ken­nen dankzij de parodie van een Britse televisiekomiek. Haar oprechte interesse maakt ook de belangstelling van de lezer wakker voor de veelvormigheid van de cultuur, de onvermoede tegenstellingen en de snelle ontwikkelin­gen in Kazachstan. Dat is geen geringe verdienste in een klimaat waarin informatie vaak in de eerste plaats beoor­deeld wordt op zijn relevantie voor onze eigen positie in de wereld en de inpasbaarheid in ons eigen politieke en culturele stramien.
Met Shanghai Skyline plaatst Carolijn Visser niet alleen een wereldstad maar ook haar eigen eer­dere China-boeken in het perspectief van de torenflats die getuigen van een weergaloze economische revolu­tie. Zij gaat op zoek naar sporen van haar geliefde China achter die façade van nieuwe rijkdom. Die sporen blij­ken nog volop aanwezig, onder meer in het familieleven van een alleenstaande Chinese carrièrevrouw. Megalomane bouwprojecten, schrijnen­de armoede, ogenschijnlijke nieuwe vrijheid ingeperkt door een dwingende overheid en knellende familietradities. Visser schetst deze fascinerende groeistui­pen aan de hand van het persoonlijke, het kleine, het terloopse. Door haar onnadrukkelijke aanwezigheid en het daarmee gepaard gaande ogenschijnlijke schrijfgemak bevestigt zij ook met dit boek weer haar reputa­tie als een van de beste Nederlandse reisschrijvers.
De bestudering van het alledaagse, het kleine, zijn kenmerkend voor het werk van Martin Bril. In De kleine keizer lijkt Bril nu eens een groot thema aan te pakken. Een onderwerp waarvan eigenlijk al bij voorbaat vaststaat dat het boven zijn macht gaat. Bril kiest er niet voor om zich te specialiseren, door zich bijvoorbeeld te wijden aan het gebit van het paard dat de keizer bereed tijdens de slag bij Austerlitz, maar hij plaatst zich ook niet in de gemakkelijke rol van de naïeve buitenstaander. Hij reist door Europa, weliswaar geleid door stafkaarten, maar op zoek naar veelbete­kende wolkenluchten.
Hij ziet het nutteloze van zijn missie, maar tegelijk de pracht ervan. Het verslag van zijn speurtocht wordt daardoor het verslag van een passie die zich opheft door haar te consumeren. Het doel van de reis in wezen overbodig, het boek een metafoor van zichzelf. De kleine keizer is een tour de force die gekenmerkt wordt door speels gemak.
Rudi Vranckx bracht gedurende de afgelopen vijf jaar als oorlogsverslag­gever in totaal acht maanden door in Irak. In Stemmen uit de oorlog beschrijft hij de toenemende chaos en uitzicht­loosheid vanuit het perspectief van de mensen die het elke dag beleven. Be­vrijders worden bezetters, de bevrijden veranderen in verzetsstrijders. Treffend tekent hij de landerige sfeer in een voormalig paleis, waar Amerikaanse soldaten naar rap­muziek luisteren aan de rand van het zwembad terwijl de berichten over nieuwe bermbomslachtoffers binnenstro­men. Naarmate het boek vordert raakt de lezer vertrouwd met Vranckx’ netwerk van tolken, chauffeurs, journalisten en artsen – de stemmen die de oorlog met hun verhalen over leven en dood pijnlijk dichtbij brengen. Verhalen die blijven sluimeren lang nadat je het boek hebt weggelegd. Vranckx bedrijft geëngageerde journalistiek. Hij is een handelaar in misère, maar hij is er trots op, uiteindelijk.
De geschiedenis van Lieve Joris met de voormalige Belgische Congo is er een die al een schrijversleven lang duurt. Zij heeft er grote en kleine ver­halen aan gewijd. In De hoogvlaktes volgt zij een spoor dat op het eerste ge­zicht geen groot politiek of historisch belang dient. Maar het is een spoor dat zij nog niet gelopen heeft, het maakt iets compleet. Niet alleen geografisch en maatschappelijk maar ook persoonlijk en literair. Tegen de achtergrond van subtiel geschetste machtsver­houdingen tussen verschillende bevolkingsgroepen ma­ken we kennis met het hoogland en de veehouders die er wonen. Een streek waar blanken nog worden nagestaard. De ademhaling van een koe is er soms het enige geluid. De voettocht van de schrijfster wordt subtiel en ingehouden doorweven met herinneringen aan haar eerdere bezoeken aan Congo en aan haar jeugd op het Vlaamse platteland. In al zijn terughoudendheid is De hoogvlaktes een blijk van groot stilistisch vermogen en een voor de lezer bijna lijfelijke ontmoeting met Afrika.

 

Zo moet het, dacht de jury. Een goed reisboek gaat over de reis, over de voorbereidingen, over de aankomst, over de schrijver en over het schrijven van dat boek. Het bevat impliciet of expliciet zijn eigen commentaar. Dat dacht althans deze jury, die van dit jaar. Voor de verhouding waarin al die elementen worden gemengd, valt geen recept te geven. Althans niet door de beoordelaars. Dat moet het boek zelf doen. Het moet zijn eigen voorwaarden scheppen. In meer of mindere mate hebben alle zeven genomineerde boeken dat ook gedaan. Na lang beraad is de jury echter tot de slotsom gekomen dat er één boek is dat het net nog iets meer dan de andere zes verdient om onderscheiden te worden met de Bob den Uyl Prijs 2009. Het is een boek waarin een onwaarschijnlijk fraai evenwicht is gevonden tussen kennis en ervaring, tussen planning en nonchalance, tussen het persoonlijke en het politieke, een boek dat als voorbeeld kan dienen en tegelijker­tijd door niemand anders dan door deze auteur geschreven had kunnen worden, een boek dat bewijst dat lengte geen maatstaf voor formaat is, een boek dat, toevallig of niet, meer dan enige eerdere bekroning de geest ademt van Bob den Uyl, maar ook een boek dat zichzelf geen kroon hoeft op te zetten, die taak neemt de jury graag op zich. De Bob den Uyl Prijs 2009 gaat naar: De kleine keizer van Martin Bril.

De jury van de VPRO Bob den Uyl Prijs 2009 bestaat uit: Hans-Maarten van den Brink (voorzit­ter), directeur Mediafonds Karin van Gilst, directeur Weekbladpers Maria Heiden, boekhandelaar te Rotterdam en programmamaker Radio Rijnmond Wim Noordhoek, radiomaker en schrijver.