'Voordat het met je gebeurd is, wil je wat zien van de wereld'

Tjitske Mussche ,

Otto Holzhaus begon na zijn pensioen met het schrijven van korte verhalen voor de achterpagina van NRC, het erepodium voor kortestukjes-schrijvers. Nu is zijn debuut, 'Vroeg of laat komt het goed', genomineerd voor de Bob den Uyl Prijs.

In de woonboot van Otto Holzhaus (1934) in Muiden staat een open kast met hoeden. Heel veel hoeden. ‘Dit is het hoofddeksel van de stationschef in Bandoeng, die staat hem nu nog steeds te zoeken.’ lacht Holzhaus. ‘Daar ligt er een uit Kameroen, een petje van de sultan. We moesten eerst een liedje zingen en een dansje maken voor we er een mochten kopen.’ Het was eigenlijk niet de bedoeling om een hoedencollectie aan te leggen, maar uit elk land dat hij bezoekt probeert hij wel een hoofddeksel mee te nemen. ‘Dat levert vaak leuke verhalen op.’ Die verhalen, en vele andere, schreef Otto Holzhaus op in Vroeg of laat komt het goed (Hollandia/Gottmer), de bundel die nu genomineerd is voor de Bob den Uyl Prijs 2012.

Zijn naam is een onbekende in het rijtje genomineerden, maar lezers van de achterpagina van NRC zal zijn naam wellicht bekend voorkomen. Vanaf 2005 publiceerde Holzhaus daar zo’n honderd ik-jes en korte verhalen. ‘Ik stuurde een vakantiebelevenis in, en die werd gretig geplaatst,’ vertelt hij. ‘Toen dacht ik “nou, ik weet er nog wel een paar.” Ik werd er nog voor betaald ook.’

Vroeger was Otto Holzhaus freelance copywriter, na een korte carrière als ambtenaar in Nijmegen. Ook werkte hij bij dagblad De Tijd, ‘Ik was corrector, een slechte, en mocht af een toe een stukje schrijven. Over de uitverkoop bijvoorbeeld, of over amateurtoneel.’ Vooral is hij de bedenker van bekende slogans als ‘Bloemen houden van mensen’ en ‘Koffie Hag mag’. Maar zijn scherpe pen kwam pas echt tot bloei na zijn pensioen, toen hij korte verhalen begon te schrijven. Over dingen die hij meemaakte in het dagelijks leven, en over de reizen die hij met zijn vrouw Gerarda maakte. ‘Soms dik ik het weleens aan natuurlijk, maar het is allemaal waargebeurd hoor!’

In Holzhaus’ verhalen - van vaak niet meer dan vijfhonderd woorden - is Gerarda de nuchtere, verstandige reisgenote. De vrouw die gaat hinkelen met straatkinderen in Kameroen en die, als ze in Egypte door een straatjongen ten huwelijk gevraagd wordt - tot ongenoegen van haar man, die vindt dat hij moet ophoepelen - antwoordt: “Waarom, die jongen is gewoon verliefd op mij, leuk toch, dat was jij vroeger ook.” ‘Zonder Gerarda had dit boek nooit bestaan,’ benadrukt Holzhaus. Zijn vrouw is behalve reisgenote en personage in zijn verhalen, ook een kritische lezer. Gerarda Holzhaus: ‘Soms komt hij met een verhaal en roept hij “kijk, ik heb weer een verhaaltje,” dan lees ik het en zeg ik “nou, dat kan nog wel beter.”’ Otto: ‘Ze is mijn baas.’ Gerarda: ‘Hij zegt het.’

Het echtpaar maakte afgelopen twintig jaar heel wat reizen, onder meer naar Kameroen, Egypte, India, Laos, Peru. Otto Holzhaus: ‘Die reislust komt voort uit nieuwsgierigheid. Voordat het met je gebeurd is, wil je wat zien van de wereld waarin je leeft. Vooral van de mensen. Om tot de ontdekking te komen dat er verdomd weinig verschil is, helemaal niet eigenlijk.’

Ondanks hun hoge leeftijd, zul je Otto en Gerarda Holzhaus niet snel in een tourbus met bejaarden aantreffen. Het echtpaar mijdt reisleiders en zoekt zelf chauffeurs en tolken die hen rondleiden. Zoals Loe, de ‘Indische jongen van in de zeventig’ en zijn vriend Moestafa, een gepensioneerde Sundanese politiekolonel. Door hen liet het echtpaar zich wekenlang door West-Java rijden. ‘Mensen vonden het onverstandig dat we met hen mee gingen. “Dat is tuig”, zeiden ze. Dat wisten wij natuurlijk ook wel, maar wij vonden dat leuk. Het werd een fantastische reis.’

Dat soort dingen overkomt hen steeds. Hoe dat komt? Otto Holzhaus: ‘Als wij daar als twee oudjes lopen, zijn de mensen net zo nieuwsgierig als wij zijn. Dan raak je in van alles verzeild.’ Onder ‘van alles’ moet je denken aan een reis in de nachttrein tussen zwaarbewapende en bier drinkende militairen. Aan blowen met indianen (‘dat ging nog heel goed hoor’) en slapen in een peeskamer in een oerwoud in Kameroen. Alles beschreven op vrolijke toon, zelfs bij de zoveelste poging tot oplichting van een taxichauffeur of gids. Gerarda Holzhaus: ‘De titel van dit boek is niet voor niets Vroeg of laat komt het goed.’

Terug naar de hoedenkast. Daar ligt ook een ‘pope-hoed’, van een monnik op Kreta. ‘Die vluchtten weg als ik op ze afliep,’ vertelt Holzhaus. ‘Toen heb ik in zo’n religieuze winkel gezegd dat ik een katholieke priester was en dat ik zo’n hoedje wilde kopen. Dat mocht niet. “Je vrouw staat buiten, je bent geen priester,” zei die man. ”Ssst!” zei ik, dat is niet m’n vrouw dat is een minnares. Toen was het goed!’

Het echtpaar Holzhaus schaterlacht als een pasverliefd stel. Toch naderen ze inmiddels de tachtig, net als de Bob den Uyl Prijs-winnaar van vorig jaar, Cees Nooteboom. Die zei toen in een interview in de VPRO Gids dat het reizen een manier was ‘om de tijd te bezweren’. Daar kan het echtpaar Holzhaus zich wel in vinden. Otto: ‘Ik zal niet zeggen dat we ons in het dagelijks leven vervelen, maar het is zo weer maandag.’ Gerarda: ‘Tijdens het reizen heb je het gevoel dat het leven zich uitrekt. Bij thuiskomst heb je het gevoel dat je heel lang weg bent geweest, ook al was het maar een paar weken.’ Otto: ‘Dat bedoel ik ook allemaal, maar zij kan het mooier zeggen.'