Raoul de Jong 'De grootsheid van het al'

Bob den Uyl Prijs 2014 fotoalbum

Raoul de Jong trekt op een warme dag zijn Rotterdamse voordeur achter zich dicht en begint de lange wandeling naar zijn moeder in Marseille. Onderweg wordt hij overdonderd door de mensen die hij ontmoet en het leven dat toch echt altijd goed lijkt te komen.

Raoul selecteerde voor vpro.nl/boeken de belangrijkste foto's die hij maakte voor en tijdens zijn 'hedendaagse odyssee', en voorzag ze van verhelderend commentaar.
 

Tijdens zijn begrafenis beloofde ik hem om in mijn eentje alles te doen wat wij samen niet meer konden. Reizen, mensen ontmoeten, avonturen beleven. Ik zou laten groeien wat ik voor hem voelde, net zo lang tot ik het zou voelen voor alles om mij heen. Toen was er een windvlaag en alle kaarsen waaiden uit.

Tijdens een ritje in de trein viel ik in slaap met een boek van een van mijn helden, Christoper Isherwood, opengeslagen op schoot. Hardop hoorde ik een zinnetje in mijn hoofd: Jij moet deze zomer naar Marseille gaan lopen. Was het Christopher Isherwood die dit zei? En wat zou er gebeuren als ik deed alsof dat zo was?

Toch gebeurde er precies waarop ik hoopte. Overal waar ik kwam –en waar ik kwam hing af van het toeval – werd ik ontvangen en verzorgd door mensen die hetzelfde hadden gedaan als ik: luisteren naar hun dromen, ook al had iedereen ze voor gek verklaard. Dit is Jan, de kledingverkoper die zijn zaak had verkocht, al zijn geld had weggeven en een goeroe was geworden.

Philippe, de verzekeringsagent die een wondertuin begon

Jean-Francois, de journalist die samen met de liefde van zijn leven een goed-nieuws krant was begonnen

Thérese, de studende die in haar eentje naar Zuid-Frankrijk liep

Het blog [nrc.nl/padvinder] dat ik schreef over mijn reis bleek door zoveel mensen bezocht dat ik nog drie maanden mijn rekeningen kon betalen. De uitgever waarvan ik altijd droomde gaf me een contract voor een boek. En dat boek werd genomineerd voor deze prijs.

Want het klopte dus, wat al die mooie mensen onderweg naar mijn moeder mij vertelden: je mag je eigen sprookjes bedenken. En het leven wordt sprookjesachtig wanneer je in sprookjes gelooft.

Puck was een dwergpincher. Officiëel was zijn naam: Puck van de Pinzeliahof. Hij kwam bij ons toen ik 9 was en overleed op mijn 27e, in mijn armen. Hij was mijn broertje, mijn zoontje, mijn allergrootste vriend.

Maar ik was inmiddels bijna 30. Ik woonde nog steeds in een antikraakpand en had nog steeds moeite om elke maand mijn rekeningen te betalen. Het werd tijd om volwassen te worden. Iets te bereiken en iemand te zijn. Dus probeerde ik dat. Maar vaak als niemand keek, dan huilde ik. Zou het ook mogelijk zijn om volwassen te worden, zonder te stoppen met dromen?

Een week later trok ik de deur achter me dicht en begon te lopen. Van mijn huis in Rotterdam naar mijn moeder in Marseille. Zonder geld, zonder route, zonder bescherming. Maar in een padvinder uniform. Van de Geheime Orde van Puck.
‘Hoe voel je je?’ vroeg mijn tante. ‘Alsof ik begin aan de grootste vergissing van mijn leven,’ zei ik.

Marine, de verpleegster die met een vrachtschip door Europa voer.

Johannes, de meubelmaker die naar Zuid-Afrika fietste

Lucas, de bankbeambte die zijn eigen Lord of the Rings gemeenschap had gesticht. Luister
naar de gekke zinnetjes in je hoofd, zeiden ze, je hebt ze niet voor niets.

Mijn moeder zag eruit zoals ik haar de hele reis had voorgesteld. Ze droeg een witte jurk, met een Puck badge op de borst gespeld.