Katherine Carlyle

Dirk-Jan Arensman ,

Ook de elfde roman van Rupert Thomson zal niet voor zijn grote doorbraak zorgen.

Het heeft iets ontmoedigends dat het elfde boek van de Brit Rupert Thomson werd gelanceerd als ‘zijn doorbraakroman’. Marketing-met-de-moed-der-wanhoop voor een auteur die maar geen groot lezerspubliek bereikt. Te ongrijpbaar, duister en vreemd, waarschijnlijk. Wat ook voor het verhaal van de negentienjarige Katherine Carlyle (Xander) het ergste doet vrezen. Een meisje dat zich ­herinnert dat ze als ingevroren IVF-embryo acht jaar wachtte op de baarmoeder? Dat treurend om haar overleden moeder en haar afwezige carrièrevader een ‘experiment in ­toeval’ onderneemt: zonder iemand in te lichten afreizen naar Berlijn, Archangelsk en het poolgebied, ­terwijl ze dagdroomt dat papa haar komt zoeken? Thomsons proza is zo fraai en filmisch als haar ontmoetingen en overpeinzingen op een vervreemdende manier ontroerend zijn. Maar een geheide bestseller? Mwah.