Frey gaapt onophoudelijk

Katja de Bruin ,

‘Ik word wakker van een ronkende vliegtuigmotor en van iets warms dat over mijn kin druipt. Ik breng mijn hand naar mijn gezicht. Mijn voortanden zijn weg, er zit een gat in mijn wang, mijn neus is gebroken en mijn ogen zitten bijna helemaal dicht. Ik doe ze open en ik kijk om me heen en ik zit achter in een vliegtuig met niemand bij me in de buurt. Ik kijk naar mijn kleren en die zitten onder een kleurige cocktail van spuug, snot, urine, kots en bloed.’

Zo begint Frey zijn autobiografische boek In duizend stukjes. De ontstelde lezer zal nog vele pagina’s lang worden geconfronteerd met kots en bloed, maar blijft gebiologeerd omslaan. De Amerikaan Frey beschreef zijn verblijf in een afkickkliniek, waar hij als 23-jarig wrak werd binnengebracht; verslaafd aan drank, cocaïne, crack, pillen, speed, pcp, lijm en paddo’s. Tergend langzaam onthult de schrijver iets van zijn voorgeschiedenis. En dat maakt het raadsel alleen maar groter. Want hij is afkomstig uit een welgesteld gezin met een liefhebbende moeder en een hardwerkende vader en een volkomen normale broer. Toch dronk James al op zijn zevende stiekem zijn eerste slokjes alcohol, op zijn tiende was hij zo laveloos dat hij moest kotsen en op zijn dertiende was hij dagelijks dronken of stoned of allebei. Vanaf die tijd ontspoort hij volledig. Hij dealt, rooft, knokt en gebruikt alsof de duivel hem op de hielen zit. Uiteindelijk wordt hij, zwaar gehavend en buiten westen, door een vriend op het vliegtuig naar Chicago gezet waarmee zijn boek begint.

Tot in de intiemste details beschrijft Frey wat er gebeurt op het moment dat hij de witte gang van de afkickkliniek betreedt: de pijn, de schaamte, de confrontatie met zijn ouders, de ruzies en vriendschappen tussen zijn medebewoners, onder wie een mafiabaas, een voormalig wereldkampioen boksen en een rechter. De weerzin tegen goedbedoelende therapeuten die hem keer op keer voorhouden dat hij het zonder hulp van God niet redt.

Hoewel er, met name in Amerika, stapels zogeheten rehab-memoirs verschijnen, is dat van Frey anders. Hij zet zich af tegen de heilige gedachte dat de AA en het fameuze 12-stappenplan, waarmee verslaafden stap-voor-stap afkicken, de enige manieren zijn om het op de lange duur vol te houden.

En nu is de voormalige alcoholist, junk en crimineel een gevierd schrijver. Wie Frey ontmoet na zijn boek te hebben gelezen, ontkomt er niet aan zijn gezicht te onderwerpen aan een grondige inspectie. Waar zat dat gat in zijn wang? Welke tanden zijn echt? Is zijn neus nou scheef of lijkt dat maar zo? De waarheid is dat Frey er volkomen normaal uitziet, afgezien van het feit dat hij manisch met zijn grote brok kauwgom in de weer is. Voortdurend haalt hij het uit zijn mond, om het er enkele seconden later weer in te stoppen. Verder gaapt hij onophoudelijk.

Hoe voelt het dat wildvreemden zulke intieme dingen over je weten?
‘Dat is totally weird maar ook totally cool. Iedere schrijver droomt hiervan. Ik heb een boek geschreven en mensen lezen het en het raakt ze.’

Waarom heeft het tien jaar geduurd voordat dit boek er was?
‘De eerste jaren was het puur overleven. Na mijn ontslag uit de kliniek ben ik linea recta naar de gevangenis gegaan. Daarna ben ik naar Chicago verhuisd waar ik jarenlang allerlei klotebaantjes heb gehad. De reden dat de meeste verslaafden het uiteindelijk niet redden om clean te blijven, is heel simpel. Het is gewoon onvoorstelbaar moeilijk om het vol te houden. Van alle mensen die ik in mijn boek beschrijf, leeft er nog één. En dan is dit een kliniek die claimt een hoog slagingspercentage te hebben. Maar goed, ik wilde altijd al schrijven en na een paar jaar ben ik daarmee begonnen. Ik wilde anders schrijven dan alle andere schrijvers. Veel beginnende schrijvers imiteren al dan niet bewust de schrijvers die ze zelf bewonderen. Dat heb ik ook wel gedaan. Las ik Henry Miller, dan schreef ik als Henry Miller, las ik Kerouac, dan schreef ik als Kerouac. Maar ik wilde anders schrijven dan de schrijvers die ik bewonder. Het boek heeft een jaar in mijn hoofd gezeten en daarna heb ik er nog een jaar over gedaan om het te schrijven. Ik ben gewoon begonnen met pagina 1, volstrekt chronologisch. Na veertig pagina’s was mijn geld op, toen heb ik een poosje gewerkt en daarna heb ik de rest geschreven.’

Was het ook een afrekening met je verleden of had je van meet af aan literaire pretenties?
‘Schrijven is voor mij niet therapeutisch, dit boek is niet bedoeld om duivels uit mijn verleden uit te drijven. Ik wilde een boek schrijven dat mensen versteld zou doen staan. Toen ik de laatste pagina af had, barstte ik in tranen uit. Van opluchting, van geluk. En van trots, want dit was precies het boek dat ik wilde schrijven. Voor het eerst in mijn leven had ik een prestatie geleverd, afgezien van het feit dat ik mijn eigen leven heb gered natuurlijk.’

Heb je het nadat het was uitgekomen nog herlezen?
‘Nee, ik wil het niet lezen. Het doet pijn om het te lezen. Want ik heb precies opgeschreven wat ik toen voelde: verdriet, woede, wanhoop, blinde agressie. Het hele boek staat vol met emotioneel hele moeilijke momenten. En als ik daarover schreef, voelde ik me weer precies zo. Als ik in het boek huil, huilde ik achter de computer. Als ik beschrijf hoe agressief ik was, schopte ik mijn bureau aan gort. Bovendien was ik tijdens het schrijven voortdurend in gezelschap van vrienden die allemaal dood zijn. Toen ik klaar was, heb ik het aan Miles, de rechter, laten lezen. Hij is de enige vriend uit de kliniek die nog leeft. Daar was ik wel nerveus over, maar hij herkende er heel veel in. Voor mijn ouders was het ontzettend moeilijk dit te lezen, al zijn ze natuurlijk wel ongelofelijk trots op wat ik ben geworden.’

Waarom heb je er voor gekozen om je eigen naam te gebruiken?
‘Ik heb veel autobiografische boeken gelezen van schrijvers die net doen alsof het niet over henzelf gaat: Bukowski, Miller, Kerouac, ze schreven in feite allemaal gewoon over zichzelf. Voor mij doet het afbreuk aan de geloofwaardigheid om een andere naam te gebruiken. Ik heb in mijn boek overigens alle namen veranderd, behalve die van mijzelf en mijn familie.’

Heb je het boek ook als waarschuwing geschreven voor mensen die druggebruik romantiseren?
‘Veel jongeren hebben romantische ideeën over dat leven. Ze vinden het cool, spannend, glamoureus, gevaarlijk. Zo is het niet. It just sucked. De meeste rehab-memoirs geven geen eerlijk beeld van een verslaving. Ze geven anderen de schuld, doen alsof het een ziekte is die overwonnen moet worden. Zo zie ik het niet. Het is je eigen verantwoordelijkheid en die neem je of niet. Maar voor de meeste mensen is het kennelijk moeilijk om volkomen eerlijk over zichzelf te zijn. Om keihard op te schrijven dat je een zielig, gênant kloteleven leidde en dat dat helemaal je eigen schuld was. Ik denk dat mensen daarom door mijn boek geraakt worden, ze voelen dat het volkomen authentiek is.’

In hoeverre is die verslaving nog deel van je dagelijks leven?
‘Als deze fles water hier een fles wijn zou zijn, zou ik daar geen enkele moeite mee hebben. Ik ben gisteravond nog een paar coffeeshops hier in Amsterdam binnengelopen, gewoon om te zien hoe het er daar aan toe gaat. Ik ga drank en drugs niet uit de weg. Ik ben ook helemaal niet tegen recreatief druggebruik. Er zijn genoeg mensen die daar heel goed mee om kunnen gaan. Niet met heroine, maar wel met wiet.’

Hoe ben je erin geslaagd tien jaar na dato zo gedetailleerd verslag te doen van die tijd? Is je geheugen niet beschadigd door al die blackouts?
‘Ik heb me grotendeels gebaseerd op mijn eigen dagboeken uit die tijd. Je werd vanaf dag één verplicht om een dagboek bij te houden. En ik heb later alle mogelijke rapporten, verslagen en dossiers opgevraagd die er maar beschikbaar waren van iedereen die me daar behandeld heeft: van de priester tot de tandarts. Ze zijn verplicht je die te geven. Daar stonden dingen in die ik totaal vergeten was. Heel pijnlijk, maar wel bruikbaar.’

Gaat een volgend boek weer over jezelf?
‘Het komende boek nog wel, maar daarna schrijf ik beslist niet meer over mezelf. Ik weet zeker dat ik ook een echte roman kan schrijven. Mijn ambitie is een goede schrijver te worden en ik ben het zo volkomen spuugzat om de hele tijd over mezelf te praten. En dan ook nog over de meest afschuwelijke periode uit mijn leven. Ik heb jarenlang met niemand over die ervaringen gepraat en nu ineens moet ik er de hele dag over praten. Als straks alle publiciteit rondom dit boek achter de rug is, zal ik de eerste zijn om dit hoofdstuk uit mijn leven definitief af te sluiten.’