Wie predikt nog het boekenevangelie op tv?

Bas Heijne ,

Alle boekenprogramma’s sneuvelden na één of hoogstens twee seizoenen. Alleen het programma van Adriaan van Dis wist een mythische status te verwerven – maar dat is al meer dan tien jaar geleden. Als Zeeman met boeken ook verdwijnt, kan het boekenreservaat op televisie zijn poorten sluiten.

Al zappend kwam ik onlangs in het praatprogramma Met man en macht terecht. Het was al tijd voor de uitsmijter en Catherine Keyl mocht zeggen wat ze van de gasten Ad Melkert en Harry Mulisch vond. Catherine, zelf de auteur van een intiem incestrelaas, wond er geen doekjes om: met ‘die Mulisch’, zei ze licht dreigend, wou ze na de uitzending nog een stevig robbertje doordiscussiëren. Mulisch lachte even beleefd als beduusd. Doorgaans biedt hij op televisie iedere onbenullige vraag met een vriendelijke nietszeggendheid het hoofd, geen programma is hem te dwaas, maar nu leek hij toch uit het lood geslagen. Melkert zat er om stemmen te winnen, die was gewoon aan het werk, maar waarom was Mulisch daar in godsnaam gaan zitten? Ging het over literatuur, of over zijn werk of over zijn ideeën?

Natuurlijk niet, Mulisch zat daar in zijn gebruikelijke rol, die van groot schrijver, een rol die hij in de media geacht wordt te spelen en die in vrijwel ieder programma past. Zoals de televisie behoefte heeft aan een vadsig enfant terrible, aan een vileine nicht, aan een vrouw met een grote mond en een klein hartje, aan een onverbeterlijke zwartkijker, allemaal even opwindend als ongevaarlijk, zo heeft de televisie ook altijd behoefte aan een Groot Schrijver. Mocht Mulisch overlijden, dan wordt er iemand anders voor gevraagd. Maar in dit programma ging het mis. Catherine Keyl heeft namelijk ook een vaste rol: Keyl is de vleesgeworden televisie en op televisie heeft de televisie het voor het zeggen. Haar bazige toon liet de grote schrijver verbouwereerd achter; hij had ineens geen tekst meer. In programma’s als Met man en macht, die nadrukkelijk nergens over gaan, dient zelfs de grootste schrijver slechts als aangever; hij is kanonnenvoer.

Literatuur en televisie – heel lang heeft men gedacht dat die twee elkaar iets te zeggen hadden. De televisie leek jarenlang veel van boeken en schrijvers te houden, nog meer dan ze van andere kunstvormen hield. In de dagen dat de televisie nog veel op de radio leek, waren het schrijvers die met hun dekselse flux de bouche of hun droogkomische volzinnen de presentatoren de loef af mochten steken. Het waren de schrijvers die taboes doorbraken en voor relletjes zorgden. Schrijvers bezaten de macht over het woord en in de beginjaren van de televisie was het nog niet tot de makers doorgedrongen dat boeken de natuurlijke vijand van de beeldcultuur waren. Sterker nog, er bestond bij de televisie nog helemaal geen besef van een beeldcultuur. Een echte schrijver leverde op zichzelf al een mooi exotisch plaatje op, dat was genoeg. Er werd opgekeken tegen schrijvers, met veel giechelend ontzag.

Later, naarmate de statuur van de schrijver als publieke persoonlijkheid kleiner en kleiner werd, en die van de televisiepersoonlijkheid groter en groter, werd die liefde voor de schrijver gaandeweg vervangen door een onstuimige liefde van de televisie voor het boek; lezen was goed, en als de betere televisie iets wilde, was het goed doen. De televisie had mensen jarenlang van het lezen afgehouden, en nu kon er eindelijk iets worden goed gemaakt door de omroepen die over verantwoordelijkheidsgevoel beschikten: boekenprogramma’s zouden de apathische kijkers doen beseffen hoe leuk lezen ook alweer was. En om de brug naar de boekhandel te slaan, werd de ene naar de andere spectaculair grote prijs in het leven geroepen, die met spannende nominaties en feestelijke diners de verborgen glamour van het geschreven woord er bij de kijker in zou hameren.

Tegenwoordig is van die literaire zendingsdrift niets meer over. Alle boekenprogramma’s sneuvelden jammerlijk na een of na hoogstens twee seizoenen. Alleen het programma van Adriaan van Dis, waarin binnenlandse en buitenlandse schrijvers werden geïnterviewd, wist een mythische status te verwerven – maar dat is meer dan tien jaar geleden gestopt. Tegenwoordig is het alleen Zeeman met boeken, waarin over recente boeken wordt gediscussieerd, dat het seizoen na seizoen heeft weten vol te houden, ook al is het programma gaandeweg steeds meer uitgekleed en verbannen naar een tijdstip waarop het niet meer duidelijk is of het onder de nachtprogrammering of onder de ontbijttelevisie valt. Mocht dat programma onverhoopt sneuvelen in de nieuwe kunstprogrammering van de VPRO, dan is er het volgende seizoen op de Nederlandse televisie geen enkel boekenprogramma meer te zien.

De verhoudingen zijn dan ook flink verstoord. Vraag een schrijver naar zijn ervaringen met televisie en je krijgt lange litanie over vernederingen en misverstanden te horen. Allereerst is daar zijn geslonken aanzien. De schrijver is niet meer de man of vrouw die een televisieprogramma cachet geeft, de boodschapper van de hoge cultuur. De meeste programmamakers gaan ervan uit dat iedereen die niet voor televisie werkt, in het geheim slechts één enkel doel nastreeft: op televisie komen. Een schrijver schrijft een boek om er op televisie over te mogen vertellen. Die notie heeft ook postgevat in de literaire wereld; veel uitgevers zien in een televisieoptreden van hun auteurs altijd nog een recept voor een verkoopsucces. Dat is een hardnekkig misverstand: wanneer een schrijver op televisie komt, heeft dan meestal geen enkel effect op de verkoop van zijn boek. Vooral niet wanneer hij over zijn werk praat. Wil hij enig commercieel effect sorteren met zijn optreden, dan moet hij het over zichzelf hebben. De programmamakers hebben allang geleden begrepen dat er over kunst op televisie niet goed te praten valt, en dus richt alle aandacht zich op de persoon van de kunstenaar.

Vanuit het gezichtspunt van de televisie heeft het echt geen zin om te praten over gebeurtenissen als ze helemaal verzonnen blijken te zijn; wanneer op televisie over een roman gesproken wordt, is dat meestal in therapeutische termen. Daaruit volgt automatisch dat wat beschreven is, ook echt moet zijn; waarom zou je het anders opschrijven? Voor schrijvers is het moeilijk om eenmaal in beeld weerstand te bieden aan de autobiografische verleiding. Van de schrijver Joost Zwagerman herinner ik me ettelijke verbeten stukken waarin hij honend afgaf op de neiging van de media om in romans altijd op zoek te gaan naar het autobiografische, maar bij de presentatie van zijn nieuwe roman op televisie hoefde de vragensteller maar met zijn vingers te knippen, of Zwagerman gooide de zelfmoordpoging van zijn vader op de buis. Net zo was het weinig verheffend om de romancier Geerten Meijsing zijn autobiografische boek over een persoonlijke crisis, Tussen mes en keel, met de moed der wanhoop in een babbelprogramma te zien aanprijzen als een zelfhulpboek tegen zelfmoordneigingen, waaraan kijkers die er ook wel eens over gedacht hadden er een eind aan te maken vast en zeker veel steun konden ontlenen.

Het is ook een echt dilemma: wie op televisie over kunst praat als kunst, ziet de kijkdichtheid onmiddellijk zakken tot onder het registratieniveau. Je kunt het ook maar beter niet proberen, want zodra er iets gezegd wordt dat neigt naar een abstractie, zie je de zweetdruppels op het voorhoofd van de presentator verschijnen. Ik herinner me een klassiek gesprek tussen Sylvana Simons en Marcel Möring in een inmiddels allang weer ter ziele gegaan gesponsord televisiemagazine, waarin de laatste, omringd door sfeerkaarsen en de ingrediënten van het recept van de dag, manmoedig over zijn nieuwe boek bleef praten als literatuur, en de eerste tegen de klippen op bleef proberen het gesprek van het boek af te brengen en persoonlijk te maken. Je zag haar ongeduld groeien; waarom hadden ze haar van alle schrijvers nu juist de saaiste in de schoenen geschoven? En ze had godbetert nog de moeite genomen die onbegrijpelijke novelle helemaal te lezen ook.

Er is veel ongeduld met schrijvers bij de televisie. Ze missen het vlotte ritme van de beeldtaal, ze weten zich niet te presenteren, maken hun zinnen niet af en bij prijsuitreikingen gedragen ze zich nooit eens feestelijk op een beeldgenieke manier. Het merendeel van hen weet niet gezellig mee te doen, een doodzonde op de televisie. Of ze komen eenvoudig niet opdagen. Daarom valt de televisie in haar omgang met literatuur telkens weer terug op twee beproefde recepten. Ten eerste: schrijvers neerzetten als wereldvreemde gekken, die hun leven opofferen aan iets dat, anders dan de televisie, maar heel weinig mensen bereikt en waar je ook nog eens bijna niets meer verdiend. Deze mensen zijn zielig, maar ook exotisch en onschadelijk, en daarom verdienen ze ons begrip en steun. Veel beter dan wegzakken in het moeras van een discussie over een roman als kunstwerk, kun je een schrijver vragen hoe hij in godsnaam rondkomt van al dat liefdewerk oud papier. Het tweede recept: schrijvers omarmen die eigenlijk helemaal geen boeken meer schrijven, zodat er ook niet het gevaar bestaat dat ze erover beginnen. Schrijvers als Jules Deelder, die doen het uitstekend in panels en praatshows, zolang ze maar niet met een nieuw boek aan komen zetten.

Alle andere pogingen om literatuur geschikt voor televisie te maken, hebben slechts potsierlijke taferelen opgeleverd, waarbij schrijvers knusse vernederingen moesten ondergaan. Alleen Harry Mulisch bleek bestendig, tenminste, tot hij in Met man en macht ging zitten. En verder: Maartje van Weegen strijkt Gerard Reve moederlijk door zijn haar, de publieksjury van Sonja Barend houdt streng de bordjes met rapportcijfers omhoog en tijdens de uitreiking van de AKO-prijs worden de genomineerden een uur lang door een jeugdjury ondervraagd. Dat is laatste is overigens een persoonlijk trauma: ik zat erbij met een genomineerde essaybundel en wist niet met wie ik meer medelijden moest hebben, met mijzelf of met het zestienjarige schoolmeisje dat wanhopig vragen formuleerde over de crisis in de westerse cultuur.

En nu is er bijna niets meer. Er komt op de buis nog wel eens schrijver langs, er wordt nog wel eens wervend een boek omhoog gehouden, maar afgezien van het bedreigde Zeeman met boeken, lijkt literatuur op televisie, vergeef me de woordspeling, een afgesloten hoofdstuk. Eén keer per jaar is het Boekenweek en op de avond van het Boekenbal worden in Nova slechts de auteurs voor de camera gehaald die iedereen kent – van de televisie. En de schrijvers die zich tot televisiepersoonlijkheden hebben weten te ontpoppen, steken toch altijd schraal af bij echte televisiepersoonlijkheden. Catherine Keyl zal het op televisie altijd winnen van Nelleke Noordervliet. De grote literaire prijzen worden nog ieder jaar uitgereikt, maar het animo lijkt nagenoeg verdwenen; bijna niemand die zich de prijswinnaars van voorafgaande jaren nog herinnert, laat staan de genomineerden.
Dat komt natuurlijk omdat de gesprekken over hun boeken bijna nooit inhoudelijk zijn. Wie op televisie over romans praat als over kunst, is per definitie ontoegankelijk en elitair, die andere doodzonde van de televisie – stel je voor dat de kijker zich buitengesloten voelt! Maar alle pogingen om het over literatuur te hebben voor een groter publiek, zijn op niets uitgelopen.

Dat is vreemd, zeker als je kijkt naar het succes van Oprah Winfrey’s Bookclub in de Verenigde Staten. Iedere maand kiest de televisiepresentatrice een roman die vervolgens massaal de winkel uitvliegt; en dat zijn lang niet altijd romans van gescheiden huisvrouwen beneden bijstandsniveau die zichzelf aan de keukentafel uit het dal geschreven hebben door een verhaal te verzinnen over een gescheiden huisvrouw beneden bijstandsniveau. Ook ambitieuze literaire werken als The Corrections van Jonathan Franzen, De voorlezer van Bernhard Schlink en Paradise van Toni Morrison komen aan bod. Er wordt door lezers over het uitverkoren boek gesproken en er wordt met de schrijver gebabbeld.

Het is waar dat ook die gesprekken steevast de kant van de autobiografische emotie opgaan – het blijft televisie – en Jonathan Franzen veroorzaakte onlangs schandaal omdat hij geen zin had in het theekransje van Oprah; maar wat me niettemin altijd ontroert aan haar boekenclub is het geloof in literatuur dat ervan afstraalt. Dat geloof is onmiskenbaar evangelisch van aard, en stoelt op de overtuiging dat het lezen van boeken betere, diepzinnige en verlichte mensen van ons maakt – een geloof dat in Nederland al lang geleden, samen met het socialistische verheffingsideaal, ten onder is gegaan. Het breed uitgemeten ontzag van Oprah doet hier misschien wat naïef aan, maar haar oprechte geloof in de waarde van literatuur, is toch iets heel anders dan de onbenulligheid van Catherine Keyl die Harry Mulisch streng toespreekt.
Bij de beleidsmakers in Hilversum is dat geloof in literatuur nagenoeg verdwenen, als ze het al ooit gehad hebben. In hun ogen is literatuur enkel en alleen slecht bekeken televisie. Dat is ook wat er miste in de meeste van die geflopte boekenprogramma’s van de grote omroepen, in al die opgetuigde feestelijke uitreikingen: één glimp van bevlogenheid, een blijk van een daadwerkelijke betrokkenheid met de boeken waarover het gaat. Zonder geloof gaat het niet.