Neurose en schrijven

Katja de Bruin ,

Nicolien Mizee heeft twee boeken geschreven. Haar debuut, 'Voor God en de sociale dienst', haalde de longlist voor de Librisprijs 2000. In een interview met De Volkskrant, vertelde Mizee indertijd hoezeer ze in paniek raakte bij de gedachte dat ze daadwerkelijk zou kunnen doordringen tot de shortlist. Er zou een televisieploeg langskomen als ze de shortlist had gehaald. ‘Toen er om drie uur ’s middags nog niemand was geweest, wist ik dat ik er niet bij zat. Ik heb zitten huilen van opluchting. Dat ik niet op televisie hoefde en dat ik niet blij hoefde te zijn.’

Met haar tweede boek, 'Toen kwam moeder met een mes', kwam ze niet alleen op de longlist, maar ook op de shortlist.
‘Dit keer vond ik het gek genoeg leuk. Ik stond voor de vierde keer op een longlist en ik had me voorgenomen om niet meer zo bang te zijn. De shortlist werd bekend gemaakt in Paradiso. Daar ben ik niet heen geweest, zo’n bijeenkomst is niks voor mij. Dat houd ik niet vol: allemaal mensen die je niet kent, ramen die niet open kunnen. Ik vind het wel jammer hoor, en ook niet erg beleefd, maar ja, ik kan er ook niks aan doen.
Ik heb me wel voorgenomen om naar het diner van de Librisprijs in het Amstelhotel te gaan, al moet ik nog even informeren hoe lang dat duurt. Misschien kan ik afspreken dat als het erg lang duurt, ik even in de kelder mag gaan zitten. Het Amstelhotel heeft vast een hele mooie kelder.’

'Voor God en de sociale dienst' ging over de neurotische Cilia die in een aantal faxen aan een docent bij wie ze een cursus scenarioschrijven volgt, vertelt over haar mislukte leven. Ze voelt zich niet in staat tot werken en probeert de sociale dienst daarvan te overtuigen. Nicolien Mizee wist waarover ze schreef. Ze heeft al jaren een uitkering.
‘Ik heb het gevoel dat het succes van mijn eerste boek voor een deel te danken was aan de titel en het onderwerp. Uitkeringstrekkers vormen een stille groep, een boek daarover was iets nieuws.
Van mijn 14de tot mijn 30ste was ik bezig maatschappelijk te mislukken. Nu kan ik zeggen dat ik schrijfster ben. En dat vinden mensen iets geweldigs. Zelfs als ze nog niet weten wat je schrijft, vinden ze alleen al het idee dat je schrijver bent heel interessant. Dat komt doordat veel mensen het gevoel hebben dat er binnen in hen iets heel belangrijks verborgen blijft, het meest wezenlijke. Veel mensen hebben grote moeite hun gevoelens en gedachten onder woorden te brengen. Ze denken dat een schrijver dat wel kan, wat misschien ook wel zo is.
Ik ben absoluut niet de hele dag bezig met schrijven. Wel in de zin dat ik voortdurend heel bewust waarneem. Dat doen meer mensen misschien, maar ik denk dat mijn manier van waarnemen wel getraind is door het schrijven. Ik ben gewend geraakt dat tot formuleringsniveau op te stuwen. Je hele ziel gaat er naar staan. Met het daadwerkelijke schrijven ben ik twee, drie uur per dag bezig. Verder veeg ik de straat, ik poseer voor schilders en ik besteed veel tijd aan de vrienden om me heen.’

In 'Toen kwam moeder met een mes', vertelt de 28-jarige Ida over het verstikkende gezin waarin ze opgroeit en hoe ze als kind door allerlei dwangneurotische en zelf aangeleerde religieuze handelingen vat probeert te krijgen op de onbegrijpelijke wereld om zich heen. Dat klinkt zwaar op de hand, maar Nicolien Mizee maakte er een droog-hilarisch verhaal van, waarin tal van bizarre familieleden opdraven. De schrijfster kon wederom putten uit eigen ervaring, want haar moeder stamt uit de bekende Haarlemse familie Andriessen die onder meer componisten en schilders voortbracht.
‘Gezinscultuur was eigenlijk het belangrijkste onderwerp, maar ik wilde er een grote familie achter zetten om te laten zien hoe een bepaalde levenshouding van generatie op generatie wordt doorgegeven. De familie Andriessen herinner ik vooral als iets heel leuks. Ze konden allemaal goed vertellen. Overigens heb ik de meeste verhalen over die familie compleet verzonnen. Die idiote pedofiele neef met smetvrees bestaat helemaal niet.
Ik kijk terug in de duisternis van mijn jeugd, ik kan hem niet alsnog verlichten, maar ik heb geprobeerd hem wel zo helder mogelijk te beschrijven. Voor mij was het belangrijkste thema van het boek waarom dat meisje Ida zo religieus wordt. Dat kind heeft geleerd niet te zeggen wat ze wil, want moeder weet toch alles beter, moeder weet precies wat zij wil. Dus dat kind denkt: als ik iets wil, moet ik het niet hardop zeggen, maar moet ik erom bidden. En als dat één of twee keer werkt, zit je eraan vast. Religie begint vaak als troost en het wordt een vloek. Het lijkt haar vrijheid te geven, maar het wordt een gevangenis. En zo wordt een leven gebouwd op een misverstand. Het heeft mij jaren gekost het idee los te laten dat al die dwangmatige handelingen die ik van mijzelf moest verrichten geen enkel doel dienden. Dat was een helse klus, omdat ik moest toegeven dat de wereld waarin ik als kind acht of tien jaar had geleefd, niet bestond. Hoe lollig ik er misschien ook over geschreven heb, voor mij was dat heel moeilijk.
Ida neemt zich op een bepaald moment voor om alleen nog maar duidelijk te zijn. Dat is maar een heel kort scènetje van een paar regels, maar ik ben er dagen mee bezig geweest. Ik probeer het zo kort mogelijk te houden omdat ik zelf een hele ongeduldige lezer ben. Juist wanneer ze niet precies weten wat ze willen zeggen, gaan veel schrijvers het drie keer op een andere manier zeggen. Laatst las ik iets van Graham Greene en toen dacht ik: waarom lees ik nu wel iedere zin? Omdat iedere zin iets toevoegde aan het verhaal. Daar streef ik ook naar.’

De recensies van Mizee’s beide boeken waren, hoewel overwegend lovend, opvallend divers van inhoud. De ene recensent roemde haar stekelige humor en zelfspot, de ander vond haar hoofdpersoon Cilia ‘een Bridget Jones met diepgang’, een derde beoordeelde 'Toen kwam moeder met een mes' als ‘te autobiografisch’ en een vierde vergeleek haar stijl met die van Arnon Grunberg.
‘Recensies lees ik wel, maar ik vergeet ze meteen weer. Zolang iemand beschrijft wat hij ervan vindt, vind ik het prima, maar het raakt me wel als zo’n stuk een belerende toon heeft. “Graag iets minder humor Mizee”, stond er in één van de eerste recensies die ik kreeg! Met vergelijkingen heb ik soms ook moeite. Waarom moet alles met alles vergeleken worden? Zelf ken ik de boeken waarmee de mijne vergeleken worden meestal niet, want sinds ik zelf romans schrijf, lees ik heel weinig fictie meer. Ik vind er helemaal geen barst meer aan.’