Inburgeringsleed volgens David Bezmozgis

Katja de Bruin ,

Zes jaar was David Bezmozgis toen hij van Riga verhuisde naar Toronto. Zijn bundel emigrantenverhalen leverde hem vergelijkingen op met Philip Roth, Bernard Malamud en Harold Brodkey. Maar de jonge schrijver lijkt daar nauwelijks van onder de indruk:' Zoiets neem je toch niet serieus?'

David Bezmozgis heeft zijn promotiebezoek aan Londen en Parijs er al op zitten, maar werkelijk, op Amsterdam had hij zich het meest verheugd. En dat is weer te danken aan Cees Nooteboom. ‘Rituelen is één van mijn favoriete boeken.’ Nederland heeft een interessante geschiedenis en Bezmozgis heeft Nederlanders altijd beschouwd als de Canadezen van Europa. Liberaal en eigenzinnig. Bovendien houdt hij van Nederlandse schilders.

Als de jonge schrijver al onder de indruk is van alle lof voor zijn verhalenbundel 'Natasja', dan laat hij het niet merken. Hoewel het niet de meest relevante vraag is, informeren we toch even wat hij van het omslag van de Nederlandse vertaling vindt; een met blauwe bloemetjes bedrukt meisje dat, zo blijkt na nadere inspectie, op haar roodgelakte grote teen sabbelt. Doet dit opdringerige beeld wel recht aan de laconieke toon van zijn verhalen?
‘Toen mijn uitgever besloot de bundel Natasja te noemen, heb ik één voorwaarde gesteld: dat er geen meisje op het omslag zou komen. De Amerikaanse editie ziet er heel anders uit. Maar het boek wordt in elf, twaalf landen vertaald en als auteur kun je je onmogelijk bemoeien met al die verschillende omslagen. Maar ik moet toegeven dat ik niet had gerekend op een meisje dat beplakt is met bloemetjesbehang en dat op haar tenen zuigt. Als het al haar eigen tenen zijn.’

Bezmozgis is de enige zoon van Russisch-joodse emigranten. In 1980 vestigde het gezin zich in Toronto, temidden van 50.000 andere Rusische joden. Dat uitgangspunt gebruikte Bezmozgis voor acht fraaie verhalen over de belevenissen van Mark Berman. In het eerste verhaal is Mark zes jaar, in het laatste zijn we twintig jaar verder. In slechts 156 pagina’s slaagt Bezmozgis erin zowel pijnlijk als amusant verslag te doen van allerlei inburgeringsperikelen.
’s Avonds brachten we onze nieuwe taalschat bijeen en voegden die samen.
‘Hallo, hoegatet?’
‘Rood, geel, groen, blauw.’
‘Mag ik alstublieft naar het toilet?’
‘Zeventien, achttien, negentien, twinnug.’
Het zijn de vertrouwde emigrantenthema’s, zoals honderden schrijvers die voor hem hebben behandeld: vreemde taal, vreemde gewoonten, problemen met huisvesting, school, werk. Zelfbeklag is Mark Berman vreemd, hoewel daar aanleiding genoeg voor is, want het nieuwe Canadese leven is niet makkelijk. Maar als zijn vader aan een jaloerse bezoeker uit Rusland opbiecht dat hij vaak overweegt terug te keren, bezweert die hem: ‘Geloof me, jouw ergste dag is beter dan mijn beste.’

Intussen voelt David Bezmozgis zich allang Canadees. ‘Met mijn ouders spreek ik Russisch, maar ik denk in het Engels. Ik moet zelfs mijn best doen om mijn Russisch op peil te houden. Ik heb het nooit leren lezen of schrijven. Maar sommige dialogen in het boek heb ik voor mezelf wel uit het Russisch vertaald.
Twee jaar geleden ben ik met mijn ouders teruggeweest naar Letland, om te zien waar ik geboren ben. Er was gedurende dat bezoek maar één overheersende gedachte: de opluchting dat we daar zijn weggegaan.’

Wie denkt dat Bezmozgis’ bundel volstrekt autobiografisch is, vergist zich. ‘Het klopt dat ik net als Mark Berman op mijn zesde vanuit Riga naar Toronto ben geëmigreerd, dat ik enig kind ben en dat mijn vader masseur was van een aantal Olympische atleten. Ik vond die basis interessant genoeg om te behouden. En ik wilde schrijven over die gemeenschap van Russische emigranten in Canada, omdat dat een wereld is die ik goed ken, en omdat nog niemand dat gedaan heeft. Het was nogal wat voor die mensen om het Sovjet-communisme vaarwel te zeggen en een nieuw leven in het vrije westen te beginnen. Emigrantenverhalen spreken natuurlijk al eeuwenlang tot de verbeelding. Het zijn situaties die iedereen zich voor kan stellen. Ook mensen die het niet zelf hebben meegemaakt, begrijpen hoe moeilijk het is om in een vreemd land opnieuw te beginnen. Dat gegeven heb ik als uitgangspunt gebruikt, maar de verhalen zelf zijn gewoon verzonnen, al streef ik er natuurlijk naar om de lezer te laten geloven dat het allemaal zo gebeurd is.’

En hoe voelt het voor een debuterend schrijver om in recensies gelijk maar in één adem genoemd te worden met grootheden als Roth, Brodkey en Malamud; een vergelijking waarmee volgens The New York Times geen enkele beginnende schrijver belast zou mogen worden.
‘Ach, ik heb dat altijd beschouwd als verkooppraatje. Zoiets neem je toch niet serieus? Een nieuwe schrijver moet verkocht worden, en zowel uitgevers als recensenten komen dan met dit soort vergelijkingen. Ik heb daar geen last van. Ik hecht sowieso niet erg aan recensies. Zelf kies ik mijn boeken ook niet uit op grond van recensies, ik vertrouw veel meer op wat vrienden me aanraden.’

Alle verhalen in Natasja hebben op de een of andere manier iets te maken met de joodse identiteit, zonder dat er veel religie aan te pas komt.
‘Het is wie ik ben en ik heb me er niet vanaf gekeerd. Om de een of andere reden vragen joden zich altijd af hoe belangrijk hun joods-zijn voor hen is. Het is niet alleen een religie, maar ook een cultuur en bovendien één die aanmoedigt tot lezen en schrijven. Bovendien hebben joden in de diaspora van oudsher moeten bepalen wat het betekent om joods te zijn, hoe je die identiteit vormgeeft in een telkens veranderende omgeving. Niet voor niets zijn er heel veel joodse schrijvers, maar heel weinig joodse schilders.’

Ook deze joodse jongen werd schrijver. Voldoet de werkelijkheid aan zijn verwachtingen?
‘Ik had wel een droom van hoe het zou zijn om schrijver te zijn, maar in die droom was de schrijver altijd iemand anders. Nu ik het zelf ben, merk ik tot mijn verbazing dat ik niet echt ben veranderd. Ik ben nog steeds ongedisciplineerd, ik moet mezelf echt aanzetten tot werken. Maar het allermooiste aan schrijver zijn, is ’s ochtends wakker worden met het besef dat je eigen baas bent. Dat klinkt misschien niet zo spectaculair, maar ik weet zeker dat ik dat nooit vanzelfsprekend zal gaan vinden, daarvoor heb ik mijn ouders te lang zien zwoegen in allerlei rotbaantjes.’