De bladen

Kees Sluys ,

Wie aankondigt dat hij een stuk gaat schrijven over literaire tijdschriften en de laatste nummers van een aantal uitverkozen bladen opvraagt, hoeft niet lang te wachten tot zijn postvak vol zit.

De Revisor dat, een jaar na diens dood, met een speciaal Louis Ferron-nummer komt. Naast minder bekende essays die de schrijver destijds in de Volkskrant publiceerde (onder meer over Heine, Weimar en Dalí) kan men kennis nemen van herinneringen van zijn echtgenote, en buigen mensen als Anthony Mertens, Arnold Heumakers en Kester Freriks zich over aspecten van Ferrons werk.
Overigens laat de redactie, weinig tactvol, weten dat 'het volgende nummer' pas echt 'iets bijzonders wordt'. Dertien dichters en schrijvers en dertien zangers/ liedjesschrijvers zijn aan het werk gegaan om een liedje 'met hitpotentie' te maken. Het resultaat zal niet alleen in De Revisor te lezen zijn, maar kan op 8 oktober ook in een anderhalf uur durende NPS-uitzending worden bekeken en aangehoord. Ilja Leonard Pfeijffer en Ellen ten Damme, Kees 't Hart en De Jeugd van Tegenwoordig, Gerrit Komrij gekoppeld aan Huub van der Lubbe. Why!?
Nee, dan toch liever De Revisor 1/2 (2006) dat gewijd was aan de literaire kritiek, een onderwerp dat eens in de zoveel tijd opduikt, maar dat altijd wel een zinnig stuk oplevert.
De vraag blijft of de lezers wel op themanummers zijn gesteld. Zo nodigde De Gids voor het augustus-septembernummer een keur aan schrijvers uit om een verhaal met als thema Seks te schrijven. En dus staat dit dubbelnummer (8/9) van pagina 565 tot en met pagina 772 (het blad houdt nog steeds vast aan die rare, doorlopende paginering) vol met nieuw proza, maar ontbreken inspirerende essays. De auteurs zijn volgens de redactie 'op scherp gezet' door het onderwerp. Nou, Arie Storm zeker niet.
Ook het 'meest onafhankelijke literair-culturele tijdschrift van Nederland' Hollands Maandblad komt in nr. 6/7 met een - zeer atypische - special. Maar een nummer dat geheel gevuld is met poëzie maakt het voor de vele niet-poëziekelijken onder ons wel erg moeilijk. Ook al zitten er auteurs bij van wie je niet zo één, twee, drie een gedicht verwacht. Neem Battus. Ach ja, Battus.

Bloedkoralen koolbladeren
Pekelworst met spekwortel:
Rijbeest ijsbeert,
Pepernoot opponeert.
Loze 'virtuositeit'.

Inclusief
Intussen blijft een 'normaal', dat wil zeggen, gevarieerd, nummer van Hollands Maandblad vaak interessant genoeg. Neem aflevering 4 van deze jaargang. Daarin laat enige redacteur Bastiaan Bommeljé tenminste unverfroren weten dat er in 'deze kolommen helaas weinig tolerantie voor gelul, voor humbug en gedraai' bestaat (dank daarvoor, maar hoe zit dat dan met Battus?), en komen we naast nieuwe poëzie en nieuw proza ook diverse beschouwingen tegen die de moeite waard zijn. Zeker voor de fans hoogst interessant, zij het lichtelijk ontluisterend, is het portret dat Rob Wentholt van zijn oude 'leermeester' Jacques de Kadt schetst.
Nummer 33 van het 'tijdschrift met literatuur' Bunker Hill meldt op de cover dat men een 'inclusief gesprek met Geerten Meijsing' heeft gehad. Altijd leuk om deze gekwelde poseur (die overigens niet altijd onzinnige dingen te berde brengt!) te horen beweren dat hij, 'zonder arrogant over te willen komen moet zeggen dat het lang geleden is dat ik in gesprekken vriendschappen of verhoudingen nog een vorm van intelligentie terugverwachtte'. Verder poëzie, beknopte essays, anderhalf paginaatje proza van Tommy Wieringa en de poëzierubriek van R. A. Cornets de Groot.
Kinbote presenteerde zich voor het eerst in juni 2005, en kwam in maart dit jaar pas met nummer 2. Het blad-in-boekvorm-klein-formaat doet per definitie aan thema's, wat de diversiteit overigens bepaald niet in de weg staat. Dit is het enige tijdschrift waarvan het achterplat is bestemd voor een foto van de redactie, en dat ook binnenin kiest voor fotografie, in plaats van tekeningen - zoals de meeste literaire tijdschriften traditiegetrouw (maar waarom eigenlijk?) doen.
Het blad wil een lans breken voor een 'bedreigde literatuursoort'; journalistiek die eigenlijk literatuur is en vice versa, of zoiets. En komt dus (?) met een reportage over het fenomeen Julius Vischjager, de hoofdredacteur van het in de hoofdstad verschijnende eenmansblaadje 'The Daily Invisible'. Verrassend in nummer 2 (thema: Obscuur) is het optreden als poëet van Arthur Docters van Leeuwen. Guus Luijters schreef een portret van de in 1997 overleden, door zijn drugsgebruik doorlopend om geld verlegen zittende, dichter Arie Visser. Iets wat in nr. 2 /2006 van De Parelduiker veel uitvoeriger wordt gedaan door Wim Sanders. Aanleiding voor deze Visser-revival is de uitgave van diens 'Verzameld werk' dat onder redactie van Luijters en Oek de Jong binnenkort bij Prometheus verschijnt.
Dat literaire geschiedschrijving de specialiteit is van De Parelduiker blijkt eens te meer uit het zojuist verschenen nummer 3 waarin naast een stuk als 'De verstoorde relatie tussen uitgever Stols en zijn auteur Bertus Aafjes' diverse beschouwingen zijn opgenomen naar aanleiding van het overlijden van illustrator Frits Müller, oa van Jeroen Brouwers.
Passionate Magazine oogt door zijn opmaak en veelvuldige kleurgebruik oppervlakkig gezien toegankelijker dan andere tijdschriften, maar straalt vreemd genoeg juist iets plichtmatigs uit. Naast aandacht voor binnen- en buitenlandse literatuur en poëzie probeert men met vaste rubrieken als '7 vragen aan... ('Waar heb je echt een hekel aan? Wat zou je willen veranderen aan jezelf', krijgen Hans Verhagen en Adriaan van Dis onder meer voorgeschoteld) de aandacht vast te houden. En in de rubriek 'Losgezongen' mogen resp. de op Rudolf Hess gelijkende dichter Menno Wigman (zie Kinbote 2, pag. 29) en Dirk van Weelden hun favoriete songtekst nader verklaren.
Eveneens in kleur, en net als Passionate Magazine niet in de vorm van een boek(je), maar met nietjes bij elkaar gehouden, is het tijdschrift Opspraak. De cover van nr. 29 (winter 2005/2006) wordt gesierd met een en profil van W.F. Hermans, die in het redactioneel wordt geïntroduceerd als iemand die 'tot de bekendste schrijvers van ons land hoort'.
Zo'n kinderlijke observatie zal men in een gevestigd blad als Tirade niet aantreffen. In nummer 2 wordt (oud-redactiesecretaris) Gerard Reve een paar maal uitgezwaaid, staat, niet altijd even sterk, nieuw proza te lezen en wordt het pièce de résistance gevormd door de integrale vertaling van Henri Michaux's wonderlijke 'In het land van de magie'.
Openingsstuk van Tirade nr. 3 is een uitvoerige lezing over de stand van de kritiek door Arjan Peters, die 'nooit zoveel laffe recensies (heeft) gelezen als de laatste jaren'. Fijn dat hij ook nog even man en paard noemt. Zo deugen Pieter Steinz, Elisabeth Lockhorn en Hans Goedkoop van geen kant. Maar helaas, echt agressief wordt het bij Peters nooit.
Polemiek vinden we al helemaal niet in Raster, het enige tijdschrift dat geen redactie kent, maar wel een loodzware, dertienkoppige, 'redactieraad'. Nummer 114 (juli 2006) staat geheel in het teken van de in 1941 geboren Italiaanse auteur/uitgever Roberto Calasso. Samensteller Jacq Vogelaar typeert hem in zijn introductie als iemand die 'essyaisme' beoefent en daarvan kan men bijna 190 pagina's lang getuige zijn, in stukken over Walter Benjamin, Karl Kraus, Otto Weininger, maar ook in de slotbeschouwing: over de kunst van het uitgeven.
Gaat de prijs voor de dodelijkste typering dan toch naar Maarten 't Hart? In diens aan Anna Enquist opgedragen verhaal in het zomernummer van De tweede ronde blijkt hij in ieder geval een verschrikkelijke hekel aan Renate Dorrestein en 'peutertje' Palmen te hebben.
Of moeten we voor de keiharde polemiek te rade gaan bij Permafrost? Het blaadje dat reclame maakt met de wervende kreet 'Literatuur in krakende kritieken' doet niet aan scheppend werk, maar breekt slechts af. Uitstekend qua intentie, zelden vernietigend. Al juichen we strenge kanttekeningen bij zo'n Robert Anker-titel als 'De broekbewapperde mens' natuurlijk van ganser harte toe.