Elie Wiesel, getuige

Chris Kijne ,

Onlangs verscheen een nieuwe Nederlandse editie van het eerste boek van Nobelprijswinnaar Elie Wiesel. 'Nacht' is een verslag van Wiesels ervaringen in de Duitse vernietigingskampen. Eerder dit jaar werd het boek in de VS heruitgegeven en bereikte, dankzij de lof van Oprah Winfrey,een nieuw miljoenenpubliek.

Elie Wiesel schreef 'Nacht' in 1954, in het Jiddisch, tien jaar na zijn bevrijding uit Buchenwald. Tot die tijd voelde hij zich niet bij machte te schrijven over dat kamp, Auschwitz-Birkenau en Gleiwitz, de kampen die hij overleefde. Zijn moeder, zijn kleine zusje Tsiporah en zijn vader kwamen er om.
Er waren, letterlijk, geen woorden voor die ervaring. En Wiesel had zichzelf beloofd dat hij tien jaar mocht wachten om te zien of ze zich aandienden. Want de gevoelde plicht om te getuigen was er wel vanaf de eerste bevrijdingsdag. Na tien jaar kwamen de woorden tijdens een bootreis van Frankrijk naar Zuid-Amerika, op een schip vol joodse statenlozen die nergens aan land mochten. De beschamende zwerftocht lang de havens van Sao Paolo, Montevideo en Buenos Aires, die Wiesel als journalist van de Israëlische krant Yedioth Ahronoth versloeg, leverde ook het eerste manuscript van Nacht op, toen onder de titel 'Un di velt hot geshvign' ('En de wereld zweeg'). Het waren 800 dichtbeschreven bladzijden.
Het meest hartverscheurende fragment in de nieuwste editie van Nacht staat in het voorwoord. In de door zijn vrouw Marion gemaakte nieuwe Engelse vertaling telt het verhaal nog maar 120 pagina's en Wiesel geeft één veelzeggend voorbeeld van een passage die tijdens het eindeloos uitbenen van de oorspronkelijke tekst is gesneuveld.
Het betreft de beschrijving van de dood van zijn vader Shlomo op 28 januari 1945 in Buchenwald, drie maanden voor de bevrijding. Shlomo Wiesel heeft, na de helse tocht
uit het door de Russen bedreigde Auschwitz-Birkenau die via Gleiwitz is geëindigd in Buchenwald, dysenterie gekregen en ligt op sterven. Een paar britsen verder ligt zijn zoon. Elies vader roept hem en vraagt om water, terwijl er een ss-officier passeert.
Deze brult dat hij stil moet zijn, maar Shlomo Wiesel blijft zijn zoon roepen. Tot de officier hem met een harde slag van zijn knuppel tegen het hoofd het zwijgen oplegt. Elie zegt niets en verroert zich niet. De volgende ochtend, wanneer hij wakker wordt, ligt er een andere stervende op de plek van zijn vader. Wiesel beschrijft het in de tekst van 2006 kort, geserreerd, bijna emotieloos.
Maar in dat voorwoord haalt hij de oorspronkelijke Jiddische tekst aan: Ik herinner me die nacht, de verschrikkelijkste van mijn leven: '... Eliezer, mijn zoon, kom hier......Ik wil je iets zeggen... Jou alleen.....Kom, laat me niet alleen... Eliezer....' Ik hoorde zijn stem, begreep zijn woorden en de tragische dimensie van het moment, en toch verroerde ik me niet. Het was zijn laatste wens geweest mij naast zich te hebben in zijn doodsstrijd, het moment waarop zijn ziel zich losscheurde van zijn gebroken lichaam - en toch vervulde ik zijn laatste wens niet. Ik was bang Bang voor de klappen. Daarom hield ik mij doof voor zijn roepen. In plaats van mijn miserabele leven op te offeren en me naar zijn zijde te haasten, zijn hand vast te pakken, hem gerust te stellen, hem te laten zien dat hij niet verlaten was, dat ik bij hem was, dat ik zijn smart voelde, in plaats daarvan bleef ik plat op mijn rug liggen, God vragend of hij mijn vader wilde laten ophouden mijn naam te roepen, op te houden met huilen. Zo bang was ik om de toorn van de ss te wekken. In feite was mijn vader niet langer bij bewustzijn.
Toch bleef zijn klaaglijke, hartverscheurende stem de stilte doorboren terwijl hij mij riep, niemand anders dan mij. 'Wat?' De ss-er had een woede-aanval gekregen en sloeg mijn vader op zijn hoofd: 'Zwijg, oude man! Zwijg!'
Mijn vader voelde de slagen van de knuppel niet meer; ik voelde ze. En toch reageerde ik niet. Ik liet de ss-er mijn vader slaan, ik liet hem alleen in de klauwen van de dood. Erger: Ik was kwaad op hem omdat hij lawaai had gemaakt, omdat hij geroepen had, omdat hij de woede van de ss had gewekt. 'Eliezer! Eliezer! Kom, laat me niet alleen...'
Zijn stem had me bereikt van zo ver weg, van zo dichtbij. Maar ik had me niet verroerd. Ik zal het mezelf nooit vergeven.

Dure plicht
Bij de uitleg in het voorwoord waarom nu net dit fragment zo is uitgekleed en ingekort in de nieuwe editie - het kwaad zijn op zijn vader is verdwenen - heeft Wiesel meer vragen te bieden dan antwoorden: 'Waarom dit fragment niet opgenomen in de nieuwe vertaling? Te persoonlijk, te privé wellicht; het moet tussen de regels blijven. En toch...'
Die manier van redeneren, en ook de slotfrase, zijn typerend voor de vrome chassidische jood Wiesel. Elk vermoeden van een antwoord roept een vraag op, elke nieuwe suggestie van een antwoord wordt andermaal gevolgd door: 'En toch...'
In Wiesels religieuze traditie zijn de vragen belangrijker dan de antwoorden. Zoals ook de getuigen belangrijker zijn dan de rechters. En dus was het Wiesel een dure plicht te getuigen van het lot van die betrekkelijk zorgeloze sjtetl in Roemenië waar voor de joodse gemeenschap nog in 1944 de val dichtklapte. En hij doet dat, uiteindelijk, in deze nieuwe versie, op een sobere manier die zijn jeugdige leven in het plaatsje Sighet even dichtbij brengt als de latere hellegang. En toch moet de lezer ook weten dat er eerst iets anders heeft gestaan. Want iedereen moet zelf de tekst kunnen bevragen. En ook na vijftig jaar blijven de woorden verraderlijk en zijn er waarheden die alleen door steeds nieuwe vragen benaderd kunnen worden.
Voor Elie Wiesel heeft zijn overleverzijn behalve de plicht om te getuigen, naar het schijnt, maar één andere zekerheid opgeleverd: de plicht om waar en wanneer dan ook op te komen voor verdrukten en vertrapten. Het heeft hem tot een van de belangrijkste mensenrechtenactivisten en morele autoriteiten van onze tijd gemaakt, een status die in 1986 bekrachtigd werd met de Nobelprijs voor de Vrede. Eerbewijs aan een man die als geen ander oor heeft voor het roepen van de vergetenen.
En misschien is dat wel de reden dat Wiesel zijn oorspronkelijke, zo van schuld doordrenkte tekst, toch weer heeft opgenomen.