Het luizenpaleis van Elif Shafak

Sofie Messeman ,

Diplomatendochter Elif Shafak is gewend aan een nomadisch bestaan, maar Istanbul bleef altijd haar droomstad. Bij het verschijnen van haar roman 'Het luizenpaleis' een gesprek over vrouwen, schrijven, verhalen, obsessies en Turkije.

In haar roman 'Het luizenpaleis' brengt de Turkse schrijfster Elif Shafak (1971) de lotgevallen van tien families in beeld, die elk een verdieping van een statige residentie in Istanbul bewonen. Het huis is in verval geraakt en de bewoners worden onophoudelijk geplaagd door de stank van het afval dat zich voor hun muren ophoopt. We vroegen Elif Shafak waarom Istanbul zo’n prominente rol speelt in haar roman.
Shafak: ‘Istanbul is geen vriendelijke stad. Aan de ene kant is ze oud en mooi, aan de andere kant heeft ze geen geheugen en is het een harde stad. Toch wilde ik van Istanbul het centrum van mijn roman maken. Want er bestaan veel steden in de wereld waar je makkelijk een teruggetrokken, steriel leven kan leiden, maar in Istanbul is dat onmogelijk. Of je het wilt of niet, je wordt altijd geraakt door die stad. Toen ik mijn verhaal construeerde, liet ik me inspireren door de straat in Istanbul waar ik woonde. Het was een heel kosmopolitische straat, waar ooit Armeniërs, Grieken en joden hebben gewoond. In de jaren negentig kwamen daar de immigranten uit de voormalige Sovjet-Unie en de kunstenaars bij. Van alle groepen die ooit in mijn straat woonden, was er wel iemand overgebleven. Dat was voor mij als schrijver natuurlijk een fantastisch gegeven.’

U bent de dochter van een Turkse diplomate. Heeft dat gegeven u beïnvloed?
‘Ik ben geboren in Straatsburg en heb in Ankara, Madrid, Jordanië en Keulen gewoond. Mijn moeder was een alleenstaande diplomate. Samen hebben we veel gereisd. Al die jaren is Istanbul mijn droomstad geweest, de plek waar ik altijd naar terug wilde. Ik ben na mijn jeugdjaren altijd een nomade gebleven, iemand die zich op verschillende plaatsen thuis voelt. Ik hou erg van dat multiculturele leven, al is het niet altijd makkelijk. Als je altijd op één plaats hebt gewoond, heb je een gevoel van veiligheid en continuïteit. Ik heb dat niet, ik ben het gewend om met chaos te leven. Het gevoel van vervreemding dat het nomadische leven met zich meebrengt, is vaak lastig. Maar voor de kunst is het natuurlijk uitstekend.’

Hoe wordt uw werk in Turkije ontvangen?
‘In Turkije is de roman als genre nog niet zo oud. Hij wordt beschouwd als een rationele constructie die per definitie “onvrouwelijk” is. Vrouwen worden niet geacht romans te schrijven. Hooguit mogen zij zich wagen aan poëzie, het meer traditionele genre in de Turkse literatuur. Sekse is in Turkije nog steeds een belangrijk criterium. De Turkse maatschappij is patriarchaal, niet op een expliciete, maar op een diffuse manier, waardoor het des te moeilijker is je ertegen te verzetten. Zelfs intellectuelen kijken neer op vrouwen. Ze beschouwen zichzelf als heel open, maar als het op sekse aankomt, zijn ze aartsconservatief. Daardoor hebben vrouwelijke schrijvers het moeilijk in Turkije. Eigenlijk word je bij ons als vrouwelijke schrijver pas gerespecteerd als je oud bent en niet langer met seksualiteit wordt geassocieerd.’

Er komen veel onderdrukte vrouwen voor in uw roman…
‘Ik voer inderdaad onderdrukte vrouwen op, maar die zijn wél in staat om daarmee om te gaan. Ze onderhandelen met de patriarchen. Ik vind dat de onderdrukking van vrouwen nooit zo totaal is als ze vaak wordt voorgesteld. Meestal is er ruimte om te onderhandelen. Bovendien gedragen onderdrukte vrouwen zich tegenover anderen – hun kinderen, hun schoondochters – vaak zelf als onderdrukkers. Machtsrelaties zijn volgens mij nooit zwart-wit.’

Waarom haalt u in uw roman zo scherp uit naar het huwelijk en het moederschap?
‘Ik wil de dualiteit van die menselijke ondernemingen laten zien. Het interesseert me om te laten zien dat zaken als het huwelijk of het moederschap ook een keerzijde hebben, zoals overigens ook de oude soefi-literatuur beklemtoont. Het leuke aan schrijven is dat je de conflicterende stemmen in jezelf niet hoeft te onderdrukken. Ikzelf heb sardonische trekjes, maar tegelijk kan ik de vriendelijkheid zelve zijn. In de literatuur kan je dat allemaal tot uiting brengen. Daarom zijn mijn boeken, naast sarcastisch en verdrietig, ook humoristisch en ironisch.’

Hoe komt het dat zoveel van uw personages fobische trekjes hebben?
‘Obsessies hebben een grote macht over mensen. Als schrijver ben ik altijd geïnteresseerd geweest in die vreemde trekjes. Ik geloof dan ook niet in perfecte mensen, maar houd meer van de breuken en foutjes. Die zijn reëler dan de perfectie, die altijd iets totalitairs heeft.’

In Het luizenpaleis is er sprake van verhalen die ‘gevaarlijk’ zijn. Hoe kan dat?
‘Er komt een grootvader in mijn boek voor die verhalen vertelt aan zijn kleinkinderen. Dat zijn allesbehalve aangename kinderverhaaltjes. Het zijn griezelige volksverhalen uit de Turkse orale cultuur. Over die Anatolische erfenis heb ik veel gelezen. Sommige verhalen uit de mondelinge traditie zijn nooit opgetekend. Maar ik ben een goede luisteraar. Wanneer ik door Turkije reis, luister ik naar wat mensen me vertellen en observeer ik aandachtig de manier waarop ze dat doen.’

Heeft u bepaalde rituelen als schrijver?
‘Schrijven is een bezigheid die totale toewijding vraagt. Als ik aan een roman werk, ben ik vreselijk asociaal. Zelfs als ik dan uitga, ben ik met mijn boek bezig. Maar als ik eenmaal klaar ben met een roman, schakel ik doelbewust over op andere dingen. Als schrijver heb ik een paar vaste gewoontes. Zo schrijf ik meestal ’s nachts. In Istanbul is dat geen enkel probleem. Je hebt daar nooit het gevoel alleen te zijn omdat de stad voortdurend geluiden voortbrengt. Dat is in Boston, waar ik een deel van mijn tijd doorbreng, wel even anders. Het is er zo stil dat schrijven me daar niet goed lukt. Nog een andere schrijversgewoonte van me, is dat ik om het even waar schrijf: in cafés, op luchthavens en in parken. Wie, zoals ik, een nomadisch bestaan leidt, heeft maar weinig voorwerpen die hij echt met zich kan meedragen. Maar wat ik wel altijd bij me kan hebben, zijn mijn manuscripten.’