Hoopvol begin ik met denken aan mezelf, zonder deadline

Frank Starik ,

Dinsdag 30 mei 2006. Het op zich voldoende geprezen radioprogramma Music-hall beleeft zijn laatste uitzending. Alle medewerkers ooit aan dit heerlijk literair variété werden opgeroepen de laatste eer aan de radio te bewijzen, die nu gevoeglijk de prullenbak in kan. We passen niet allemaal in het zaaltje aan de Plantage Middenlaan. Maar in het café is het ook gezellig.

Webredacteur Annemieke Houben vraagt me of ik zin heb een 'autobundelgrafie' over één van mijn bundels te schrijven. 'Natuurlijk heb ik zin'. Zeg ik. 'Er is geen deadline', mailt ze er de volgende ochtend nog maar eens achteraan.

Hoopvol begin ik met denken aan mezelf, zonder deadline, in de derde persoon. Ik moet wel objectief lijken, dunkt me. In bijna al mijn gedichten is er sprake van een nauwelijks verhulde 'ik'. Ik dit en ik dat. In mijn volgende bundel zal die 'ik' in een groot aantal gedichten vervangen worden door het onpersoonlijke 'men'. Men zegt. Men denkt. Men ziet maar. Zoek en vervang.

Laten we een jaartal noemen, een omgeving schetsen. Het jaartal 2004 staat vermeld in het colofon van maar liefst drie dichtbundels van F. Starik: De Grote Vakantie, mèt cd, (In de Knipscheer) in het voorjaar, Rode Vlam en De verdwijnkunstenaar (Vassallucci) in de herfst. Het moet een uitzonderlijk productief jaar zijn geweest. Een man zingt zijn hart uit.

Op het moment dat de zingende man dit schrijft, anderhalf jaar na het verschijnen van de dubbelslag, ruim een week na die laatste uitzending, en inmiddels alweer een boek verder (De eenzame uitvaart, Nieuw Amsterdam, 2005) werkt hij aan zijn nieuwe bundel (Songloed verschijnt naar verwachting voorjaar 2007, eveneens bij Nieuw Amsterdam) waarbij de titel voortborduurt op de ingezette reeks Nepvuur (In de Knipscheer, 1988) en Rode Vlam: Starik wandelt eindelijk in het overweldigende zonnelicht. In dat licht mogen de individuele gedichten grotendeels af zijn, maar waar is de grote lijn, het dwingende verband?
Daarnaar is het in de bundel Rode Vlam niet erg lang zoeken.

"Rode Vlam is Stariks poging om de liefde in al haar facetten te onderzoeken en te beschrijven. Een uiterst herkenbaar thema, op uiterst herkenbare wijze weergegeven. De liefde zoals die wordt bezongen in de popmuziek. Hij gaat van de dagelijkse realiteit uit en hanteert de daarbij passende zegging. Hij is niet erotisch, hij verbergt niet. Hij is niet suggestief, hij wekt niets op. Hij onthult en verhaalt, waarbij het alledaagse zo essentieel en onomwonden mogelijk weergegeven wordt. Een stijl die inmiddels kenmerkend voor hem genoemd mag worden. Het simpele geluk is de essentie van de bundel Rode Vlam. Het zijn de onverwachte verschuivingen in betekenis en Stariks loensend waargenomen perspectief die deze poëzie op gang brengen."

Schreven ze, onder andere, in recensies op deze bundel. En ik vond dat eigenlijk wel goed gezegd. Ik hoop heldere, aardse poëzie, naakte waarheid te schrijven. Niks geen gegoochel met de onmacht van de taal. Niks geen deconstructie. Grote woorden zijn niet voor niets zo groot geworden. En zeker, met volledige inzet van de overleefd-romantische, geposeerde persoonlijkheid. Dat is evenzeer een constructie, natuurlijk. In deze vage, overvolle tijd moet de dichter een duidelijk beeld neerzetten.

Reve zei ooit dat elke schrijver maar één thema heeft: bij Wolkers zou dat driftbeleving zijn, bij Mulisch macht en aanzien, 'voor hemzelf welteverstaan,' bij Campert leegte, 'helaas is diens thema ook gelijk zijn motief, zodat zijn werk niets inhoudt', bij Hermans identiteit en bij Reve zelf verlossing. Welnu: Starik = dood.

In Rode Vlam zijn rechtstreekse verwijzingen naar de dood tot een minimum beperkt gebleven, al associëren wij het moeizame afscheid van de versleten liefde, een afscheid dat in deze bundel niet onaangeraakt blijft, vanzelf met 'het uiteindelijke', en dat zal in de bundel Songloed zeker weer het geval zijn: de zon gloeit immers het schoonst waneer zij ondergaat.

In mijn wereld mogen gedichten troosten, verzoenen, verontrusten, de dood aanraken, de zomers nog tellen, mag er wat leegte worden ingenomen, iets ontleend aan iets: ga maar met je bundel voor de spiegel staan, ried mevrouw Houben mij aan. De man in de spiegel: de weerkaatste man, zonder welke liefde hij niet leven kan.

'Scharlaken als de dood, maar niet vals, klinkt ijzig zijn gebarsten taal scheerlings langs alle huid, de holte in zijn gebaren verhult nooit iets, maar toont alles, aantoonbaar afstandelijk is het schaarse schaatsen van zijn netjes beklede lichaam op het uiterste punt van Noords ijs,'
schreef de wonderlijke levenskunstenaar Fernand Ronsmans over het verschijnsel dat deze Starik was geworden. Een verschijnsel.

Laten wij de dichter zelf hierover aan het woord, dan klinkt het ongeveer zo: 'Ooit raadde ik een vriend aan een baard te laten staan die de kin nog meer vrijlaat als die van Chriet Titulaer, een zogenaamde baard uit de keel. Die vriend volgde mijn advies op, groeide een enorm lage baard, maar was ontevreden met wat hij in de spiegel zag. Bovendien meende hij, dat er achter zijn rug om zijn baard werd gelachen. Het is niet goed met hem afgelopen.'