In voorbereiding: Christine Otten

Dirk-Jan Arensman ,

Schrijvers over het voorbereidend onderzoek voor hun nieuwe boek. Reizen ze de wereld rond, lezen ze vooral veel andere boeken of zitten ze gewoon de hele dag te googlen?

'Nee, ik ben geen schrijfster die alles alleen achter de computer zit te bedenken. Ik vind het gewoon leuk om met mensen te praten. En er zijn ontzéttend veel mooie verhalen in de wereld. Het zou stom zijn om die niet te gebruiken. Voor mijn vorige roman 'De laatste dichters', die gaat over de politiek geëngageerde oervaders van de hiphop The Last Poets, heb ik heel gedegen onderzoek gedaan. Mensen geïnterviewd, veel gelezen en uitgezocht, om van dat materiaal uiteindelijk een roman te maken. Dat was heel spannend en nieuw voor me. Als ik díe research niet had gedaan en niet in die zwarte gemeenschap verzeild was geraakt, was mijn nieuwe roman 'Als Casablanca' er ook nooit geweest.
In 'Als Casablanca' strandt een jonge Nederlandse journaliste direct na 11 september 2001 in New York om vervolgens in Detroit te belanden. Die stad vond ik meteen een intrigerende locatie. Ooit was Detroit het mekka van de soulmuziek, maar inmiddels is het verworden tot een postindustrieel niemandsland. Bovendien is het van oudsher een stad van migranten. Het verval, de nieuwe kansen die dat ook biedt, dat sprak me allemaal enorm aan. Toch had ik niet meer dan een vaag idee voor een nieuwe roman toen ik naar Detroit ging. Toen ik er net was, bestíerf ik het gewoon! Ik dacht: wat móet
ik hier in godsnaam?! Ik had geen idee waar ik moest beginnen.
Toen ontmoette ik Khalid El-Hakeem, een tot de islam bekeerde zwarte muzikant en zijn vriendin, Tania McGee. Vooral Tania was voor mij een boeiende persoonlijkheid. Iemand die zowel blank als zwart was - Brits én Nigeriaans - en die haar hele leven achter zich had gelaten om in de dump Detroit opnieuw te beginnen. Hoe doe je dat? En hoe verenig je al die culturen in je? Khalid en Tania treden onder hun eigen naam op in Als Casablanca, net zoals Leni Sinclair, een Oostduitse fotografe met wie mijn hoofdpersoon
bevriend raakt. Zij is beroemd geworden met portretten van muzikanten als Miles Davis, John Lee Hooker en MC5 en was getrouwd met John Sinclair, de oprichter van de White Panthers.
Ik heb er wel over gedacht om ze andere namen te geven - ik heb romanfiguren van ze heb gemaakt, dus helemaal zichzelf zijn ze niet - maar dat vond ik ook niet kloppen. Ze hadden waanzinnige verhalen te vertellen, die ik lang niet allemaal heb kunnen gebruiken. Leni's broer die in de ddr werd opgepakt door de Stasi, de familiegeschiedenis van Khalid, die afstamt van naar Canada gevluchte slaven. Maar als je álles wat je interessant vindt in je roman gaat proppen, kan dat heel vervelend
worden. Research doen bestaat voor mij niet uit lezen. Ik ben meer iemand van ergens zíjn. Met mensen praten, kijken, luisteren, meemaken. Rijden door buurten die er uitzien als Bosnië na de oorlog. De sfeer proeven en onbewust dialogen opslaan.
Ik las laatst een interview met Michael Ondaatje, waarin hij vertelde dat toeval bij het ontstaan van zijn romans een grote rol speelt. Hij komt eens iemand tegen, gaat ergens heen omdat hij het gevoel heeft dat dat moet. Dat intuïtieve, daar herken in me wel in. Het hangt echt een beetje aan elkaar van toevalligheden. En van de juiste tentakels uitzetten, natuurlijk. Want ik straal wel uit dat ik dingen wil zien. Zo heeft Khalid me meegenomen naar het Michigan Palace. In de tijd van Motown was dat echt hét theater. The Temptations, The Four Tops, Diana Ross, ze hebben er allemaal gestaan. Glorieus! Alles is er nog: de koepelplafonds, een deel van de podiumomlijsting en zelfs het doek. Alleen hebben ze de muren er uitgesloopt, asfalt neergelegd en er een parkeergarage van gemaakt. Dat was van zo'n bizar soort schoonheid, de rillingen liepen echt over mijn rug. Kijk, dat soort dingen kun je niet weten als je er niet bent.'