In voorbereiding: Tomas Lieske

Dirk-Jan Arensman ,

Zeven zomerweken lang vertellen Nederlandse schrijvers over het voorbereidend onderzoek voor hun nieuwe boek. Reizen ze de wereld rond, lezen ze vooral veel andere boeken of zitten ze gewoon de hele dag te googlen?

'Mijn romans ontstaan eigenlijk altijd op dezelfde manier: ik wacht tot ik een onderwerp heb, een thema dat me bezighoudt, en vervolgens zoek ik daar een geschikte plaats en tijd bij.
Bij Dünya moest het gaan over een vader-dochterverhouding. Een vreemde vader-dochterverhouding, want het zou een man zijn die een meisje steelt en opvoedt alsóf het zijn dochter is. Aangezien het stelen van een kind in het Nederland van 2007 niet zo makkelijk te verklaren valt -dan krijg je meteen gelazer met politieonderzoeken- dacht ik: Turkije na de Eerste Wereldoorlog. Dat was in die tijd zo'n arme en verwoeste streek, totaal van alle wetten en gezag ontbloot, dat het idee dat je daar met zo'n daad
wegkwam me geloofwaardig leek. Bovendien had ik het gevoel dat ik over dat land, waar ik ook mijn debuutroman Nachtkwartier en verschillende korte verhalen situeerde, nog van alles te vertellen had.
Ik heb drie plekken die in mijn werk steeds terugkomen: Den Haag, Baskenland en Turkije. Die laatste twee waarschijnlijk omdat ze spanningen kennen die je hier niet hebt: de Basken die in opstand kwamen tegen Franco en Spanje en de Turken die altijd met dat Koerdische gebied zitten. Ik heb situaties nodig waarin er meer kan gebeuren dan in Nederland. Als de werkelijkheid waarin je leeft zo gereguleerd is, wat overigens prettig is, moeten die regels in de literatuur maar eens overboord worden gegooid.
Voor ik begin te schrijven, documenteer ik me eerst anderhalf jaar lang. Heel breed, want ik wil alle mogelijkheden openhouden en elke gedachte aan een eventueel verhaal uitbannen. Ik las over de Eerste Wereldoorlog, Londen in 1914, de sfeer in Europa. Ik bladerde Turkse kookboeken door en damesbladen als Flair en Viva, op zoek naar woorden die ik voor een vrouwelijke vertelstem kon gebruiken. En ik heb een tijdje in Istanbul gewoond. Daar heb ik bijvoorbeeld een fotoboek gevonden over de rijke wijk Beyoglu in de jaren dertig. Je weet niet wat je ziet! Het was in die tijd een stad die gelijk was aan Parijs, Berlijn of Londen. Dure winkels, meisjes in korte rok op de fiets. Ze vierden er zelfs carnaval.
Of het allemaal nodig is, dat onderzoek? Tja. Vestdijk heeft fantastische verhalen gemaakt over Italiaanse steden, en dan bleek uit gesprekken met collega's en uitgevers dat ze gebaseerd waren op een tweetal toeristische foldertjes. Waarom zou hij in godsnaam helemaal naar Venetië moeten om allerlei mensen te spreken, denk je dan. Als ik vertel hoeveel research ik doe, krijg ik ook vaak van die afkeurende blikken. Zo van: het zal wel een encyclopedische roman worden met heel veel namen en geschiedenis erin. Maar dat wil ik juist helemaal níet! Ik wil dat de details kloppen. Het verhaal dat ik maak is verzonnen, maar de pijlers ervan zitten in de grond van de
werkelijkheid. Door die nauwkeurig te beschrijven en de grenzen met het fictieve te verbergen, verleid je mensen te geloven in je boek.
Na die anderhalf jaar ga ik ergens weg, in het buitenland "verhalen maken". In dit geval in Berlijn, waar ik twee Hollandse krijgsgevangenen bedacht - Simon, die de vader werd, en Otto. Daarna kwam Dünya Suman, een vrouw die uit Beyoglu is verbannen naar hetzelfde dorp als zij, hun huishoudster wordt en een speciale band krijgt met het gestolen meisje. Dankzij mijn onderzoek wist ik ook hoe ik twee mannen in het Turkije van die tijd samen kon laten wonen met een dochter, beschermd door het leger. Ik liet ze meedoen aan een groots project van Ataturk: de bouw van een luchtschip.
Ik herinner me nog het momént waarop ik in een Amsterdamse boekhandel stond en een boek zag over luchtschepen. Ik dacht meteen: als ik dit boek laat liggen, denk ik er
nooit meer aan; als ik het koop, gaat het een rol spelen in de roman. Je loopt bij zoiets natuurlijk het risico dat lezers gaan denken: nou wordt het helemaal te gek. Maar omdat ik alles van die schepen en de bouw ervan wist, heb ik het idee dat ik het zo
beschreven heb dat iedereen het gelooft.'