Verdriet en walging in de kantoortuin

Dirk-Jan Arensman ,

Joshua Ferris’ debuutroman 'Zo kwamen we aan het eind' laat je lachen én meeleven met de kolderieke verwikkelingen en persoonlijke drama’s van een kleurrijke groep kantoorpersoneel. ‘Hot book for 2007!’

‘Toen eenmaal zeker was dat mijn roman gepubliceerd zou worden, heb ik wel even een mailtje naar mijn oude baas gestuurd, ja,’ zegt Joshua Ferris (1963) glimlachend in de lounge van het Amsterdamse hotel De Filosoof. ‘En er zijn al een paar ex-collega’s van wie ik weet dat ze een recensie-exemplaar hebben gekocht op eBay om te kijken of ze in het boek voorkwamen. Maar ik heb nog geen hate mail ontvangen en er zijn tot nu toe geen maniakken aan mijn deur geweest.’
Goed nieuws. ‘Maar of dat betekent dat mijn verhaal gelukt of mislukt is, dat weet ik zo net nog niet.’
Wat de mensen met wie Ferris ooit drie jaar lang op een reclamebureau in Chicago werkte daarvan vinden, hoort hij misschien als zijn debuut volgende maand in Amerika verschijnt. En in Engeland is men ook in gespannen afwachting; zeker nu Nick Hornby het ‘een geweldig boek’ noemde ‘slim, grappig en ontroerend’ en The Observer het onlangs tipte als één van de drie ‘hot books for 2007’. Maar sinds Nederland en Italië een paar maanden terug al de volgens de schrijver ‘dubieuze eer van de wereldprimeur’ deelden, weten we hier: Zo kwamen we aan het eind is meer dan gelukt.
In dik vierhonderd pagina’s over, jawel, een reclamebureau op de rand van de afgrond laat Ferris je gieren van het lachen om de kolderieke verwikkelingen in de kantoortuin - denk aan een kruising tussen The Office en Debiteuren/Crediteuren -, terwijl hij je tegelijkertijd laat meeleven met de kleine strijdjes en persoonlijke drama’s van het kleurrijke personeel. Je vermaakt je kostelijk met Chris Yop, die verbeteren vecht voor de adoptie van de ergonomische bureaustoel van een ontslagen collega. Of met Tom Mota, die na zijn ontslag steeds woedender mailtjes begint te sturen - de vraag die zijn ex-collega’s beheerst: gaat hij ons allemaal vermoorden? Maar je leest óók het verhaal Janine Gorjanc, wiens dochtertje werd ontvoerd en vermoord en die je in een briljante scène verlamd van rouw terugvindt in de ballenbak van de plaatselijke McDonald’s. Of van die werkverslaafde cheffin Lynn, die een agressieve vorm van borstkanker blijkt te hebben en vervolgens het hele bureau laat werken aan een liefdadigheidscampagne voor de kankerbestrijding - een opdracht waarvan lang onduidelijk blijft of die alleen in haar hoofd bestaat of ook bij die stichting bekend is.
Het zijn (pijnlijk) geestige en melancholieke momenten. Precies de combinatie die hij in de hele roman hoopte te bereiken. ‘Dat het boek vergeleken wordt met The Office vind ik een geweldig compliment, maar ik hoop dat lezers er ook meer in zullen zien dan alleen maar een satire. Dat ze de komische kanten zien, maar ook wat er onder de oppervlakte allemaal gaande is.’
‘Ik wilde bewust het rijke innerlijk leven van sommige van de personages onthullen. Want werkrelaties zijn meestal ontzettend oppervlakkig. We lopen elk dag door de gangen van onze kantoortuinen, en we dénken de mensen om ons heen misschien wel heel goed te kennen. We kennen de tics, de eigenaardigheden, de manier van praten. We kunnen voorspellen wat mensen gaan zeggen en ze belachelijk maken. Maar wat weten we van hoe ze zijn als ze alleen thuis zitten? Van hun gezinsleven? Van hun worstelingen en hun ambities? Niks, waarschijnlijk. En daar zijn we meestal eigenlijk ook niet eens erg nieuwsgierig naar.’
Bovendien wilde Ferris graag ook de positieve kanten van een bestaan als loonslaaf belichten. ‘Het gevaar van schrijven over werk is dat je alleen maar een heleboel klaagt. Tót ik het idee kreeg om het verhaal zich te laten spelen rond 2000, nadat de grote dotcom-luchtbel was gebarsten en Amerika en de rest van de wereld in een economische crisis raakte. Ik weet nog dat het voor mij en de mensen waar ik mee werkte een behoorlijk schok was toen de luxe van de jaren tachtig en negentig plotseling voorbij was. Dat was bijna traumatiserend. Zeker toen er banen op de tocht begonnen te staan. Want je baan, dat was een van God gegeven recht! Net als onze lease-BMW en het bedrijfszwembad. Als dat allemaal dreigt weg te vallen, realiseren de personages zich dat ze wel dégelijk hechtten aan hun baan. Dat je niet alleen werkt om praktische dingen als dat je je hypotheek en het schoolgeld van je kinderen moet betalen, maar dat het je identiteit mede bepaalt. En dat er naast een hoop ellende ook genoegens aan het kantoorleven kleven. Het geeft je een gemeenschap van collega’s en vrienden.’
‘Ineens weet je: damn, I líke my job!’
Over die gemeenschap gesproken: het idee van het personeel als een groep speelt ook een belangrijke rol in Zo kwamen we aan het eind. Een groep met zijn eigen groepsethiek, waarbinnen de individuen tegen elkaar strijden of zich juist verschuilen achter het collectief.
Daar kwam ook de ingeving vandaan om het verhaal van dit kantoor te laten vertellen in de eerste persoon méérvoud. ‘Dat wilde ik vanaf het begin - ook omdat mensen als ze het over hun bedrijf hebben inderdaad de neiging hebben in de wij-vorm te praten -, maar ik had lang geen idéé hoe ik het precies uit moet voeren. Hoe laat je een amorfe groep klinken? Dat moest ik helemaal zelf uitzoeken. Jeffrey Eugenides doet inderdaad iets een beetje vergelijkbaars in zijn roman The Virgin Suicides, maar bij hem zijn de vertellers anonieme jongens uit de buurt. Bij mij kén je de groep: je weet hoe ze heten, kent hun karaktertrekken. Hun gezamenlijke stem moest alles in zich hebben: het goede en het slechte, kleinzieligheid en generositeit, zekerheid en twijfel.’
Een eerste versie in de hij-vorm waar hij meer dan een jaar aan had gewerkt, ging de prullenbak in. Hij zat muurvast. Klaar om het op te geven.‘Tot ik op een avond ineens die eerste zinnen letterlijk in mijn hoofd hoorde: “We waren verwend en weinig gedreven. Onze ochtenden hielden nauwelijks een belofte in. Behalve voor de rokers die zich op kwart over tien konden verheugen. De meesten van ons vonden de meesten van ons wel aardig, sommigen hadden de pest aan één bepaald iemand, en een enkeling hield van alles en iedereen.”
Hij lacht. ‘Ik ben meteen uit bed gestapt, en schreef veertien weken lang bijna non-stop. Ik durfde zelfs de deur niet uit, omdat ik als de dood was dat me iets zou overkomen voor ik dat boek eindelijk af had!’
Inmiddels zijn de wonden van Ferris’ eigen ontslag bij dat reclamebureau wel geheeld. Hij is bezig aan een tweede roman en werkt tussendoor aan filmscripts. ‘Ik ben heel dankbaar dat ik van het schrijven kan leven. Maar sommige dingen van een kantoorbaan mis ik zeker. Je kunt niet even naar iemands bureau lopen om te vragen of ze mee gaan lunchen of een eindje wandelen. Je kunt niet kletsen, klagen of roddelen om de sleur van je dag te doorbreken. Als schrijver ben je eenzaam - dat moet ook en ik zou niet willen ruilen -, maar die dingen zou ik soms we terug willen hebben.’