Aan de dood onttrokken

Katja de Bruin ,

De preparaten van de 17de-eeuwse anatoom Frederik Ruysch vormden de inspiratie voor de nieuwe roman van Rascha Peper. ‘Een beetje gruwelijk, een beetje luguber en toch zo mooi.’ Immers ‘Ruysch’ wetenschappelijke doel was te laten zien hoe het menselijk lichaam in elkaar zit, maar hij zag zichzelf ook als kunstenaar. Hij wilde iets moois afleveren.’

Het is de vraag hoeveel lezers de moeite zullen nemen het omslag van Rascha Pepers nieuwe roman écht goed te bekijken. Wie dat wel doet, ziet een kinderarmpje, deels omhuld door een mouwtje dat voorzien is van een fraai gehaakt manchetje. Tussen de tere, gebogen vingertjes bungelt een klein rood voorwerpje. Een ring? Of een gedroogde bloem?
Nee, het zijn oogleden, en het armpje behoort toe aan een kindje dat ongeveer driehonderd jaar geleden stierf. Het werd destijds door de beroemde arts-anatoom Frederik Ruysch met zorg geprepareerd. Het werk van Ruysch, die in 1638 werd geboren en 93 jaar zou worden, inspirereerde Rascha Peper tot “Vingers van marsepein”, een roman waarin twee kinderen uit verschillende eeuwen een fascinatie delen voor deze wonderlijke preparaten.
Bregtje is na de dood van haar ouders door de familie Ruysch opgenomen in hun huis aan de Amsterdamse Bloemgracht. Ze is tien jaar en hangt graag rond in het kabinet waar oom Frederik zijn preparaten maakt. Soms mag ze hem helpen met het lakken van piepkleine nageltjes of het haken van kanten manchetjes. Met smaak brengt Peper het 17de-eeuwse Amsterdam tot leven, waarin Bregtje op klepperende klompjes door de Dubbele Worststeeg holt om groffelnagelen te halen. Keukenmeiden maken elkaar uit voor ‘hollewaai’ of ‘mispelmarie’, in de keuken pruttelen warmoes en pastinaken, terwijl in het kabinet lijken worden ontleed.
Driehonderd jaar later woont de tienjarige Ben met zijn moeder aan dezelfde Bloemgracht, maar hij heeft nog nooit van Frederik Ruysch gehoord. Totdat zijn vader en diens nieuwe vriendin hem voor een weekje meenemen naar Sint Petersburg, waar Ben in de Kunstkamera stuit op de collectie preparaten die tsaar Peter de Grote indertijd van Ruysch kocht.
‘Ruysch zelf is niet zozeer het onderwerp van mijn boek,’ vertelt Rascha Peper. ‘Ik vond het veel interessanter een onbevangen kind uit nieuwsgierigheid, en met een fikse eigen ervaring wat de dood betreft, naar die preparaten te laten kijken. Het is het contrast van jeugd, dood, argeloosheid en griezeligheid dat me aangetrokken heeft. Ruysch heeft me altijd bijzonder geboeid, maar ik ben pas aan deze roman begonnen nadat ik een biografie over hem las van Luuc Kooijmans. Daarvoor had ik al wel eens preparaten van hem gezien in het Boerhaave Museum. Ze zijn een beetje gruwelijk, een beetje luguber en toch zo mooi. Die combinatie is fascinerend.
De twee kinderen in mijn boek worden daar ook door aangeraakt. Ze vinden het mooi en interessant. Dat jongetje uit onze tijd stelt zich ook steeds die vraag: hoe komt het dat dit nou zo mooi is. Dat vroeg ik me ook voortdurend af. Als je het ziet, ben je zo ontroerd. Je realiseert je dat de stoffelijke resten van die kinderen nou al driehonderd jaar lang aan de dood ontrokken zijn. Ze zijn er nog steeds, en op zo’n mooie manier. Ruysch heeft ze kralenkettinkjes omgedaan, de nageltjes gelakt of ze versierd met kanten manchetjes en mutsjes. Ze zijn als het ware aan de dood en de vergetelheid ontrukt, maar tegelijkertijd zijn ze zo het symbool van de dood.
Zijn wetenschappelijke doel was om te laten zien hoe het menselijk lichaam in elkaar zit, maar hij zag zichzelf ook als kunstenaar. Hij wilde iets moois afleveren. Als je ziet wat hij van die flessen maakte, dat was fascinerend. De pot met het preparaat sloot hij af met varkensblaas. Daarop legde hij een stukje leisteen en daarop begon hij een opstellinkje te bouwen. Dus bijvoorbeeld mooie gedroogde longpijpen met bloedvaatjes en gedroogde visjes ertussen. Heel wonderlijke, morbide stillevens.
Ook mooi is hoe hij de bloedvaten die door de longen lopen prepareerde. Hij sneed ze uit het lichaam, spoot ze in met een vuurrode was en zette het geheel in een teil met insecten. Die rode was vonden ze vies, maar alles wat er nog aan vlees omheen zat, vraten ze weg. Zo hield hij prachtige, rode koraaltakken van bloedvaten over.Het moet verschrikkelijk gestonken hebben daar in huis. De familie woonde in een vrij chique huis met een chique ingang, maar er was een binnenplaats waar vandaan een heel smal steegje naar de Bloemstraat voerde.
Door dat steegje werden de lijken aangevoerd, zodat ze niet druipend en al door die deftige hal hoefden. Ruysch was door de stad Amsterdam aangesteld als stadsanatoom, maar hij was ook stadsvroedmeester. Door die functie kreeg hij veel doodgeboren kindjes. De volwassen lichamen die hij kreeg waren, behalve van in de kraam gestorven vrouwen, van misdadigers. Na elke executie wees de burgemeester het lijk toe aan een arts of chirurgijn. Dat was de enige manier om aan lijken te komen, dus daar werd om gevochten. Ruysch heeft heel wat gehangenen geprepareerd, of althans delen daarvan.
Hij was een van de eersten die in zijn huis een kabinet inrichtte, een voorloper van het museum. Daar konden mensen zijn collectie bekijken en zo kwam in 1697 ook Peter de Grote op bezoek. Die was zo getroffen door wat hij zag dat hij in een jarenlange correspondentie heeft geprobeerd
Ruysch ertoe te bewegen zijn collectie te verkopen. Uiteindelijk heeft Ruysch dat gedaan en zijn al die flessen naar Sint Petersburg verscheept, waar de collectie nu gedeeltelijk nog te zien is. Als je in de Kunstkamera rondloopt, zie je heel veel preparaten, want de tsaar heeft destijds ook zijn eigen artsen aan het werk gezet. Het is een prachtige verzameling, maar alles is spierwit, of grijs. Echt doods. Toen ik bij het hoekje kwam waar de collectie van Ruysch stond opgesteld, was mijn eerste associatie: marsepein. Die korreligheid, die sinterklaasvarkenskleur. Hoe hij dat voor elkaar kreeg, hield hij strikt voor zich, maar toen hij zijn collectie aan Peter de Grote verkocht, heeft hij het recept erbij geleverd.
Toch is het ze daar nooit gelukt. Kennelijk had Ruysch zo’n grote technische vaardigheid. Met speciaal gemaakte injectiespuiten injecteerde hij de aderen met een rode was die hij daarna heel voorzichtig doormasseerde.
Ik heb voor het boek regelmatig contact gehad met Wim Mulder, die dankzij een Nederlandse subsidie af en toe naar Sint Petersburg gaat om de conservatrice van de Kunstkamera te helpen met het restaureren van de collectie Ruysch. Hij heeft wel eens geprobeerd om een vers preparaat in te spuiten volgens het recept van Ruysch. Wat denk je? Helemaal mislukt.’