Breyten Breytenbach: ‘Nederland is mijn ‘tweede vaderland’

Robert Dorsman ,

Breyten Breytenbach woont en werkt afwisselend in New York, Parijs, Spanje en Zuid-Afrika. Een gesprek met een nomadische romanfiguur, naar aanleiding van zijn nieuwe boek: "Woordvogel".

‘Soms vond ik de houding van de Nederlanders ook arrogant en ijdel, en ik ergerde me er ook wel aan, maar toch’
Breyten Breytenbach (1939) verliet zijn geboorteland Zuid-Afrika in 1960 om zich in Parijs te vestigen. In 1964 debuteerde hij als dichter met “Die ysterkoei moet sweet”, het begin van een indrukwekkend en grensverleggend dichtersoeuvre. Breytenbach is daarnaast een gelauwerd romancier en beeldend kunstenaar. Door zijn huwelijk met een Vietnamese, Yolande Ngo Thi Hoang Lien, mocht hij Zuid Afrika niet meer in. In 1975 kwam hij met een vals paspoort in Johannesburg aan en verdween wegens vermeend terrorisme achter de tralies. Na zeven jaar werd hij vervroegd vrijgelaten. Breytenbach woont en werkt afwisselend in New York, Parijs, Spanje en Zuid-Afrika.
‘Jan Rabie!’ roept Breytenbach verrast uit wanneer hij bij zijn uitgever Podium het januari-februarinummer 1960 onder ogen krijgt van het Nederlandse literaire tijdschrift “Podium”. In het colofon op het omslag prijkt de naam van de Zuid-Afrikaanse schrijver Jan Rabie (1918-2001), die destijds met onder anderen Gerrit Kouwenaar en Harry Mulisch deel uitmaakte van de redactie. Jan Rabie was als ‘buitenlid’ belast met de bijdragen in het Afrikaans. Onmiddellijk komen bij Breytenbach de herinneringen boven. ‘Twee belangrijke schrijvers brachten mij met Europa in contact: Jan Rabie en Uys Krige. Rabie woonde vanaf 1947 in Parijs. Hij werd in de naoorlogse jaren geïnspireerd door de sfeer daar, door existentialisme en surrealisme. De Nederlandse Vijftigers kwamen ook op Parijs af: Lucebert, Bert Schierbeek, Kouwenaar, Remco Campert, Simon Vinkenoog, Hugo Claus en Rudy Kousbroek. Ik had hun namen en adressen van Jan Rabie gekregen. Ook het adres van Karel Appel, die ik ontmoette in zijn atelier. Ik heb nog een schilderij van hem gestolenomdat hij me niet te eten wilde geven. Ik was blut en had honger.’
Breytenbach werd in Parijs sterk beïnvloed door Franse surrealisten als Paul Éluard en Louis Aragon. Van de Vijftigers was het vooral Lucebert die hem aansprak, van de Cobra-kunstenaars Karel Appel. ‘Ik weet zeker dat die tijd, de tijd van de Vijftigers, die deels samenviel met Cobra, van enorme betekenis is geweest, niet alleen voor Nederland, maar voor Europa, en dat de invloed van die groep schrijvers nooit voldoende op zijn waarde is geschat.’

Ambtenaar
Voor Breytenbach en andere Zuid-Afrikaanse schrijvers als André Brink en Ingrid Jonker (1933-1965) verliepen de contacten met Nederland dus via Parijs. Maar wat bezielde Breytenbach om op zijn twintigste naar Europa te vertrekken?
‘Ik wilde in de voetsporen treden van Jan Rabie in Parijs en Uys Krige, die veel naar Spanje reisde. Zij voelden zich helemaal niet zo tot Nederland aangetrokken, ze vielen veel eerder voor het mondaine leven in de grote Europese steden, het kunstenaarsbestaan, de opwinding van Parijs, Londen, Madrid, Barcelona. Als ik toen niet naar Europa was gekomen, was ik waarschijnlijk geëindigd als tweederangs ambtenaar op een ministerie in Pretoria en hing ik nu verbitterd voor de buis.’
Van alle Zuid-Afrikaanse schrijvers die Nederland aandeden, was Breytenbach de prominentste. Hij ontving hier prijzen, kreeg beurzen van het Fonds voor de Letteren, gaf lezingen, was te gast bij literaire festivals als Winternachten in Den Haag, Poetry International in Rotterdam en de Nacht van de Poëzie in Utrecht. Zijn nieuwste boek, Woordvogel, is opgedragen aan Laurens van Krevelen, destijds uitgever bij Meulenhoff en iemand die veel voor hem heeft betekend.
Gevraagd naar zijn band met Nederland zegt Breytenbach: ‘Ik beschouw Nederland als mijn tweede vaderland. Ik woonde weliswaar in Parijs,
maar in Nederland waren de contacten, in Nederland kon ik exposeren, publiceren, meedoen aan van alles. Maar ik voelde me, evenals Rabie en Krige, niet echt met Nederland verwant. Voor mij telde die groep van de Vijftigers en de kring eromheen. Galerie Espace bekommerde zich om mijn beeldende kunst, Adriaan van Dis vertaalde mijn gedichten. Bovendien bestond er in Nederland, anders dan in Frankrijk, veel meer kennis over de apartheid in Zuid-Afrika, en ik kon die kennis voeden, er werd naar mij geluisterd: de Nederlanders vormden met hun moralisme en hun calvinistische instelling een dankbaar publiek.
Het verwonderde me zeer hoe Nederlanders tegen Zuid-Afrika en de wereld aankeken. Die protestantse inslag kende ik natuurlijk van de Afrikaners in mijn eigen land. Soms vond ik de houding van de Nederlanders ook arrogant en ijdel, en ik ergerde me er ook wel aan, maar toch.’

Materialisme
Beweging is de bron van het bestaan, schrijft Breytenbach in Woordvogel. ‘Ik ben een nomade. Ik trek door de tijd, door het landschap, door relaties, door woestijnen. Ik schrijf mijn eigen geografie, beleef de wereld waardoor ik me beweeg door middel van taal. Ik breng de topografie onder woorden, en die woorden worden op hun beurt weer landschap. Zo beland ik als romanfiguur in m’n eigen boeken.’
Vroeger geloofden we in de vooruitgang, in de maakbaarheid van de samenleving. Kunnen we nog ergens in geloven? In klimaatverandering? In het vrije woord? In de Verlichting? Breytenbach maakt zich grote zorgen over de gevolgen van de globalisering.
‘Zolang je maar dingen hebt, is het goed. Het materialisme viert hoogtij, wereldwijd. In West-Afrika zie je jongens, grauw van de honger, maar wel met een mobieltje van Chinese makelij, dat het na een paar maanden begeeft. Weg mobieltje, want het kan niet worden gerepareerd.’
Zuid-Afrika, het land dat hem onder de apartheid gevangenzette, bestookt hij als het moet met evenveel vuur als vroeger, maar nu als buitenstaander.
‘Mijn haat-liefdeverhouding met Zuid-Afrika vervaagt. Het land is onherkenbaar veranderd. Maar wanneer ik op een zaterdagmorgen op straat loop in een plattelandsdorpje, en ik hoor de bevolking plat Afrikaans praten, dan is er iets van herkenning. Geleidelijk verdwijnt de associatie van het Afrikaans als “de taal van de baas”.
Het opmerkelijkste van Zuid-Afrika is dat de allerarmsten door middel van het Afrikaans een stem krijgen. Er gebeurt veel aan empowerment van de onderklasse in Zuid-Afrika. Maar de intimiteit is weg. Met New York en Parijs voel ik me vertrouwder.’
Is hij teleurgesteld in Zuid-Afrika? ‘Ik erger me aan het feit dat het tegenwoordig bon ton is om reactionair te zijn. De nieuwe rijken die deel uitmaken van een middenklasse zonder geheugen, maar wel revolutionaire taal uitslaan en intussen niets doen aan de hemeltergende armoede in Zuid-Afrika, daar erger ik me aan.’