Hallucineren zonder drugs

Wineke de Boer ,

Hoewel Régis Jauffret in Frankrijk een vooraanstaand auteur is, werd hij nooit eerder vertaald. Zijn dertiende roman "Gekkenhuizen!" is de eerste die in het Nederlands verschijnt.

In het hoofd van de Franse schrijver en filosoof Régis Jauffret (1955) bruist een constante stroom van gedachten. Als hij gaat zitten om te schrijven, waar dat ook is, hoeft hij die alleen maar door te geven aan zijn vingers en er ontstaan verhalen. Duizenden verhalen moet hij zo al toegang naar buiten hebben verschaft.
In zijn romans vertellen de personages herinneringen en fantasieën, zonder dat ze nog weten wat echt is en wat niet. In de dikke roman "Univers, univers" bijvoorbeeld, wacht een vrouw tot haar man thuiskomt voor het eten. In de tussentijd fantaseert zij honderden levens bijeen die ze zou kunnen leiden.
Hoewel Jauffret in Frankrijk een vooraanstaand auteur is, werd hij nooit eerder vertaald. "Gekkenhuizen!", zijn dertiende roman, is de eerste die nu in het Nederlands verschijnt. In deze roman, die in 2005 werd bekroond met de Prix Femina, hebben een vader, een moeder, hun zoon Damien en diens vriendin Gisèle ieder hun eigen versie van de werkelijkheid. En die versie passen ze moeiteloos en vaak ondanks zichzelf aan de omstandigheden aan. De zoon, een slappeling van in de dertig, stuurt zijn vader om het uit te maken met zijn vriendin. De moeder adoreert haar zoon en is blij dat hij van die ordinaire Gisèle af is. Gisèle ondergaat een in alcohol gedrenkte loutering en beseft tegen het einde dat ze beter af is zonder dit krankzinnige drietal.
Want gek zijn ze, dat wil Régis Jauffret wel even duidelijk stellen. ‘Eigenlijk is alleen Gisèle in staat tot liefhebben,’ vertelt hij tijdens een urenlang gesprek in zijn woonplaats Parijs. ‘De andere personages kunnen dat absoluut niet, ze zijn gewoon gek. Vooral die moeder. Eigenlijk heeft het moederschap haar gek gemaakt.’ Inderdaad verzucht de moeder, ergens in het begin van de roman: ‘Tegelijk met het vruchtwater heb ik mijn verstand verloren.’ Volgens Jauffret bestaat deze gekte echt: ‘Vroeger was de vraag wel of geen kinderen helemaal geen kwestie. Je kreeg ze of je kreeg ze niet. Je had er niet zo over nagedacht. Nu is de beslissing om kinderen te nemen vrucht van rijp beraad en wordt er zo veel waarde aan gehecht dat iemand er letterlijk gek van kan worden.’

Breuk
Ook een schrijver moet in zekere mate last hebben van gekte, weet hij. ‘Literatuur is door en door schizofreen. En een schrijver moet voldoende schizofreen zijn om op bijna hetzelfde moment totaal tegengestelde gevoelens op te zoeken. In fi ctie kun je het principe van non-contradictie achter je laten, het is bijna het enige domein waar totale vrijheid heerst.’ Jauffret wil op maximale wijze gebruik maken van deze vrijheid, in tegenstelling tot veel van zijn collega’s.
Er zijn nog altijd schrijvers die de ambitie hebben om een realiteit te creëren die concurreert met de gewone realiteit, vertelt hij. ‘Terwijl de fi lm er veel beter in slaagt om een soort parallelle realiteit te reproduceren. Voor mij heeft de literatuur die regionen al lang verlaten. Er heeft een grote breuk plaats gevonden in de geschiedenis van de fi ctie. Ik weet niet precies wanneer, maar laten we zeggen dat de fi ctie zichzelf sindsdien niet meer serieus kan nemen wat vorm betreft. Het is een beetje alsof Madame Bovary een vaas is, en iemand die kapot heeft geslagen met een hamer: de fi ctie is uit elkaar gespat en haar repareren kan niet meer.’
In al zijn werk en dus ook in "Gekkenhuizen!" verkent Jauffret inderdaad de grenzen van wat mogelijk is in een roman. Doordat zijn personages de werkelijkheid steeds anders voorstellen, vernietigt hij keer op keer de fi ctieve werkelijkheid binnen zijn roman. Op die manier dringt hij ook door tot de werkelijkheid van de lezer: je wordt er steeds mee geconfronteerd dat je maar een boek zit te lezen, dat het niet echt is. Aan het einde van Gekkenhuizen! komt het boek in kwestie zelf ter sprake en gebeurt het omgekeerde: de schrijver en ook de lezer worden onderdeel van de fi ctie.
‘Op het moment dat je over je leven begint te vertellen is er discrepantie met wat er werkelijk is gebeurd,’ legt Jauffret dat gegoochel uit. ‘Al wanneer twee verschillende mensen die samen iets hebben meegemaakt daarover vertellen, merk je dat ze niet hetzelfde hebben beleefd. Hoe meer je nadenkt over een gebeurtenis, of een herinnering, hoe meer die herinnering verandert, zonder dat je het merkt. Zo komt het dat we herinneringen verzinnen die helemaal niet hebben plaats gehad zoals we denken. Ik kan me voorstellen dat het mensen met psychoanalyse uiteindelijk lukt om zich dingen te herinneren die nooit zijn gebeurd: je gaat op zoek naar gebeurtenissen en het lukt je om die te vinden, omdat je ze in de loop van de tijd gaat verzinnen, juist doordat je er zo lang naar hebt gezocht.’

Trip
Je zou Jauffret kunnen verwijten dat hij zich teveel richt op de vorm, dat het boek een ziel mist en niet meer is dan ingenieuze spielerei. Maar daar is hij het niet mee eens: ‘Of patat nu op een rond of een stervormig bord wordt geserveerd, het blijft patat,’ legt hij uit. Ofwel: soms springt de vorm meer in het oog, ten koste van de inhoud. Deze vorm is onderdeel van wat Jauffret ‘eerlijk schrijven’ noemt. Een zin en dus een roman en ook de literatuur moet ‘modern zijn, en geen pastiche op wat er al was’. Dit motto leeft hij na, niet alleen in de vorm, maar ook in zijn onnavolgbare stijl. Van bombastisch tot ingetogen en van strak in de maat tot uitbundig koprollend en fl ikflakkend, zodat je soms je adem moet inhouden in afwachting van het spannende moment van de landing, die altijd voorbeeldig is. En Nederland kan zich gelukkig prijzen met vertalers Martin de Haan en Rokus Hofstede, want hun versie is minstens even goed als die van Jauffret zelf. Ook in het Nederlands klinkt het als een klok en swingt het de pan uit, en zelfs voor de woorden die in het Frans van Jauffret rijmen hebben ze prachtige equivalenten gevonden.
Een citaat: ‘Wij kruipen onbeschut rond terwijl de strijd zijn hoogtepunt bereikt, en ik sneuvel onder een artillerievuur van moederwoorden, opgelucht, gelukkig misschien, liever in één klap vermoord dan vermoederd, als een lang geleden uitgevagineerd woordje dat voor altijd aan de borst van zijn verwekster lurkt, opgesloten in een onmogelijk te begrijpen en te vertalen zin, als een geheimzinnige formule, gecodeerd door een solitaire, schizofrene natuurkundige die op een avond aan een herschudding is overleden in een ambulance die hem naar het ziekenhuis bracht.’
Vaak doet het boek denken aan een hallucinatoire trip, maar aan drugs doet Jauffret niet. ‘Ik schrijf zonder vooropgezet plan. Iemand die wel eens drugs gebruikt zei me een keer dat ik ze niet nodig had, omdat ik in dezelfde staat was als hij zonder iets te nemen. Ik heb nooit drugs gebruikt, ik denk dat het mijn natuurlijke staat van zijn is,’ lacht hij. Dat is een aannemelijke gedachte: het beantwoorden van een vraag eist zozeer zijn aandacht op dat zelfs het aankijken van zijn gesprekspartner onmogelijk is zolang hij aan het woord is. Al pratend trekt Jauffret zich terug in zijn hoofd. Wanneer wij zijn boeken lezen zijn we voor even deelgenoot van zich daar afspeelt.