In voorbereiding: Esther Gerritsen

Katja de Bruin ,

In september barst het literaire seizoen weer los. In de aanloop daarnaar toe vertellen zeven prominente Nederlandse auteurs over de totstandkoming van hun nieuwe roman. Deze week: "De kleine miezerige god"

Eigenlijk zou de titel "Mevrouw Jovkov" worden, maar op het laatst heb ik die toch veranderd. Nu heet het "De kleine miezerige god". Het boek gaat over een vrouw, Dominique, die geobsedeerd is door haar oude, eenzame buurvrouw, over wie ze zich eigenlijk zou moeten ontfermen. Ze voelt zich bezwaard omdat die buurvrouw hulpeloos is en vindt dat zij er eigenlijk iets aan zou moeten doen. Iedereen heeft wel zo’n soort buurvrouw.
Terwijl ik aan het schrijven was, is er een soort god ingeslopen tegen wie de hoofdpersoon praat. Een god die niets te zeggen heeft, die niet kan ingrijpen, die machteloos is, maar zij heeft er behoefte aan tegen iemand te praten, iemand van buitenaf. Haar vader leeft niet meer, haar moeder is dement. Ze heeft behoefte aan een beoordelende blik. Iemand die zegt: je doet het goed, of niet. Dat is die god en die is in het boek een steeds grotere rol gaan spelen. Zoiets begint met een kleine gedachte. In het verpleeghuis zit Dominique bij haar moeder. Niemand let op hoe ze zich gedraagt. Die moeder is al zo ver heen dat ze dat helemaal niet meer doorheeft. Die dochter zit daar en wil graag het goede doen, maar ze weet eigenlijk helemaal niet waarom. Mijn moeder vraagt daar niet om, die merkt niet eens of ik er ben of niet, niemand vraagt erom. Waarom wil dan toch het goede doen? Dat was een thema waarmee ik bezig was. Dus laat ik haar in gedachten zeggen, als een soort grap, dan doe ik het maar voor god. En ze zegt hardop: “Ik doe het allemaal voor jou god”. En daar reageert nauturlijk niemand op. Dat vond ik een interessante gedachte en zo werd het een steeds groter thema.

Aanspreekpunt
Dominique luistert veel naar bluegrass muziek. Platen die ze van haar vader heeft gekregen, en daar zitten veel traditionals bij, religieuze liederen. Die muziek spreekt haar heel erg aan omdat je in gospels altijd zo’n prettig aanspreekpunt hebt. Je voelt je ellendig en dan dan kun je zingen: god, waarom doe jij mij dit aan? Dat is prettig aan een god hebben, dat je iemand overal de schuld van kunt geven, of dat je iemand kunt bedanken. Dat je al je leed en al je geluk kunt adresseren, kunt richten. De hoofdpersoon zoekt wel naar echt contact met mensen, maar ze verlangt ook erg naar een beoordelende blik. Iemand die zegt: jij bent goed bezig, jij bent een goed mens. Die blik van buiten die je altijd voelt. Doe ik het wel goed? Die blik is dan die god, maar hij zegt helemaal niks. Zij spreekt tegen hem. Het is een god die niks kan en niks doet. Dat verwijt ze hem ook als er dingen misgaan, dat hij haar niet waarschuwt en dat ze alles alleen moet doen.

Keukentafel
Echte research doe ik niet, maar wel een soort innerlijke research,. Een volgend boek gaat, onder andere, over narcisme. Dan denk ik: in hoeverre ben ik zelf heel egocentrisch of narcistisch en dan neem ik als een soort optie aan dat ik zelf een narcist ben. Dat je je hele leven over een aantal maanden zo bekijkt. Dat doe ik veel voor boeken. Dan leef ik een tijdje in die optie. Voor "De kleine miezerige god" heb ik een paar maanden geleefd alsof ik heel gelovig was. Dat neem ik dan heel serieus, totdat er een punt komt waarop ik
het ineens helemaal zat ben. Zo luisterde ik veel naar oude gospel, harde teksten vaak. Maar op een gegven moment, luisterde ik de nieuwste plaat van Billy Joe Shaver. Klonk er ineens door mijn huis een nieuw nummer van hem, erg vrolijk gezongen: “If You Don’t Love Jesus Go to Hell” en toen had ik er ineens helemaal geen zin meer in, in al die religieuze onzin. Zo komt er altijd wel zo’n punt, waarop het dan vanzelf weer even ophoudt en dan zoek ik iets nieuws om me in te verliezen.
Tot nu toe heb ik tussen mijn boeken door heel veel toneel geschreven. Daar ben ik nu mee gestopt. Voorheen verdeelde ik verschillende kwaliteiten over die twee genres. Alle dialogen, alle humor zat in het theater. Als ik een boek ging schrijven, ging ik juist heel erg de andere kant op: naar binnen gerichte personages, weinig conflict, weinig confrontaties, weinig humor. Nu heb ik meer tijd genomen en ik heb het gevoel dat dit een compleet boek is geworden. Ik dacht altijd: een kamer beschrijven, daar hou ik niet van. Of: mensen die verliefd op elkaar worden, dat wordt toch heel flauw dus dat houden we kort. De hele tijd verzin je excuses om het niet te hoeven doen, omdat je bang bent dat het flauw wordt, of saai. Nu heb ik dat allemaal wel gedaan. Ik heb geprobeerd iets minder snel te schrijven. Vroeger dacht ik: zodra je gaat nadenken, laat je ook alle negatieve gedachten toe. Maar daardoor kies je vaak voor de saaiste opties. Wat moet er nu gebeuren? O ja, die confrontatie tussen die moeder en die dochter. En dan zaten ze aan de keukentafel en hadden ze een gesprek. Dat is niet de meest spannende situering. Nu denk ik: oké, zij moet hem vertellen dat ze zwanger is, hoe ga ik dat doen? In eerste instantie zie je ze dan weer aan die keukentafel zitten. Dus liep ik weg van de computer om na te denken. Dan slaan onmiddellijk de negatieve gedachten toe: Dit wordt toch niks, het hele idee is flauw. Ik heb geen benul hoe ik dit nou weer moet beschrijven.

Even schrikken
Maar tien minuten later heb ik dan toch alweer iets bedacht. En zo ging dat bijna dagelijks. Ik nam nooit die afstand, dat heb ik nu wel gedaan.
Voordat ik daadwerkelijk begon heb ik ook meer aantekeningen gemaakt dan ik anders deed. Ik heb veel langer nagedacht over het verhaal. Van tevoren bedacht dat die vrouw een familie moet hebben, een beroep, ze moet ergens vandaan komen, een huis hebben, een auto, collega’s. Al die werelden moeten er al zijn voordat je begint. Die kun je niet na tweehonderd pagina’s nog gaan toevoegen.
Als je dan voor het eerst op de computer begint, is het wel even schrikken. In je hoofd is zo’n boek zo glorieus, maar op de computer lijkt het even heel banaal. Dat is ook de reden dat ik in het begin niks laat lezen. Het naarste is dat je je eerste versie moet gaan overlezen, dat je met een kritische blik door je eigen werk heen moet gaan. Dan denk je: is dit nou alles? Als je er helemaal in verzonken bent, is het elke dag weer even boeiend. Maar als je er een jaar lang aan hebt gewerkt en je leest het daarna over, is het wel even schrikken.
Ik heb ook voor het eerst heel weinig laten lezen aan mijn redacteur. Die moest echt aandringen op een gegeven moment. Maar als ik van tevoren tegen mijn redacteur zeg: ze praat tegen god, dan vind ik dat zelf ook vreselijk klinken. Alsof ik eerst wil bewijzen dat ik het kan, dat die ideeën werken. Dus ik heb echt een jaar geschreven zonder dat iemand iets las. Totdat hij in februari zei: Esther, het wordt tijd, ik moet nu echt iets lezen. Dan word ik wel een beetje bang.
Bij "Normale dagen" was ik bang voor de reacties omdat ik zelf niet helemaal tevreden was, nu ben ik bang omdat ik wel tevreden ben. Ik vind dit boek veel beter dan "Normale dagen", nu pas heb ik het gevoel dat ik écht een boek geschreven heb.’