Ondoorgrondelijke avonturier

Katja de Bruin ,

De Bulgaarse kosmopoliet Ilija Trojanow schreef De wereldverzamelaar (oorspr: Der Weltensammler), een roman over de Britse avonturier Richard Burton, waarin hij vooral diens ondergeschikten een stem heeft willen geven.

Soldaat, schrijver, antropoloog, vertaler, diplomaat, spion en ontdekkingsreiziger. En dan laten we uit ruimtegebrek nog een stuk of wat kwalificaties weg. Richard Francis Burton. Brits onderdaan die in de negentiende eeuw langdurig in India, het Midden-Oosten en Afrika rondreisde en naar schatting negenentwintig talen en dialecten beheerste. Zeker twaalf biografen bogen zich al over het leven van deze geboren avonturier. Ook Ilija Trojanow liet zich door Burton inspireren, maar hij koos voor fictie. Zeven jaar werkte hij obsessief aan zijn roman “De wereldverzamelaar”, waarvoor hij onder meer jarenlang woonde in India en Afrika. Zijn inspanningen loonden, want het boek groeide in Duitsland uit tot een ongekende bestseller. Driehonderdduizend exemplaren werden er al verkocht.
Trojanow werd in 1964 in Bulgarije geboren, maar toen hij zes jaar was, besloten zijn ouders te vluchten. Via een kamp in Italië belandden ze in Duitsland, maar na een half jaar verhuisde het gezin alweer. Ditmaal naar Kenia, waar vader Trojanow kon werken voor een Duits bedrijf.

Bij welke taal voelt u zich het meest op uw gemak?
‘Dat hangt ervan af wat ik doe. Ik tel in het Bulgaars. Als ik het alfabet opzeg, doe ik dat in het Engels omdat mijn eerste school Engelstalig was. Ik ging in Kenia naar een Engelse public school. Ik droom soms in het Duits, soms in het Bulgaars. Poëzie schrijf ik in het Engels, proza en nonfictie in het Duits. Verschillende talen hebben verschillende mogelijkheden. Mijn Bulgaars is echt keukenbulgaars. Het is de taal van een kleine familie in een vreemd land. Ik heb niet alle finesses meegekregen. Na 1989 ben ik er weliswaar vaak geweest, en ik heb een boek geschreven over Bulgarije, maar ik heb er nooit langere tijd gewoond.’

Was het die meertaligheid die u in Burton aantrok?
‘Dat was iets wat me fascineerde toen ik jong was. Maar een ander deel van Burton dat me intrigeerde waren zijn maskerades. Met mijn achtergrond is het idee dat je verschillende rollen kunt spelen heel aantrekkelijk, omdat dat zo dichtbij staat wat ik zelf doe. Het gangbare idee is dat je niet kunt veranderen, dat je hoe dan ook altijd een Duitser blijft, of een Nederlander.
Maar met mijn achtergrond bestrijd ik dat. Er is geen grens aan cultuur of religieuze transformatie. De grens is wat mensen je opleggen. Mensen vragen mij geregeld hoe het komt dat mijn Duits zo goed is. Dan antwoord ik: je gaat er dus van uit dat het niet goed zou moeten zijn. Joseph Conrad leerde pas Engels toen hij achttien was. Burton had een volstrekt andere achtergrond dan ik, maar er waren overeenkomsten die me fascineerden. Zijn durf om grenzen te testen fascineerde me. Die fascinatie stond aan het begin van het project. Maar gaandeweg veranderde mijn idee. Ik wilde de mensen uit de lokale culturen een stem te geven. Mensen die normaal gesproken nooit een stem krijgen. En hoe meer ik hun karakters ontwikkelde, hoe kritischer ik naar Burton begon te kijken.’

U vertelt belangrijke delen van uw verhaalvanuit het perspectief van de Indiasebediende Naukaram en de Afrikaansegids Sidi Moebarak Bombay.
‘Beide zijn historische figuren. Bombay was de gids in vier belangrijke expedities, waaronder de grote Stanleyexpeditie van kapitein Speke. Hij is een belangrijke historische figuur. Toch krijgt hij in geen van de biografieën meer dan een regel. Belachelijk! Dan besef je hoe bekrompen de gemiddelde intellectuele Europeaan nog steeds denkt. De lokale bevolking is niet belangrijk. Die draagt alleen dingen. Burton was anders. In een van zijn boeken schrijft hij: alles wat een Britse officier leert in India, leert hij van zijn bijslaap. Dat idee moet je serieus nemen. Wat betekent dat in de praktijk? Zijn bediende en zijn minnares waren de mensen die hem hielpen India te begrijpen. Dus die mensen moeten het verhaal mede vertellen. Dat geldt ook voor Bombay. Speke sprak alleen Engels en een klein beetje Hindi. Bombay, die als slaaf in India was geweest, sprak ook een beetje Hindi. Dus de enige informatie die de beroemde kapitein Speke in tweeëneenhalf jaar over Afrika kreeg, was van deze Bombay, in gebrekkig Hindi. Hoe kun je een boek over Speke en zijn Afrikaanse expedities schrijven zonder goed naar die Bombay te kijken? Toch heeft niemand dat ooit gedaan. Dat zijn restanten van die imperialistische 19de-eeuwse houding.’

Na vijfhonderd pagina’s is de figuur Burton nog steeds een mysterie.
‘Toen mijn uitgever het manuscript gelezen had, zei hij: ik heb een probleem. ‘You don’t open him up’. Na een lange discussie las hij het nog keer.
Toen stuurde hij me een brief waarin hij schreef: een van de grote verdiensten van het boek is dat Burton ondoorgrondelijk blijft. Hij accepteerde mijn ambitie om hem een mysterie te laten blijven. Alle mensen die met Burton hebben geleefd, hebben een ander beeld van hem. Ik ben altijd sceptisch geweest over het psychologische idee dat je een ander mens volkomen kunt doorgronden. Als ik biografieën lees, verbaas ik me er altijd over hoe de biograaf kan claimen mensen te begrijpen die allang dood zijn. Het is pure speculatie.’

Hoeveel van de twaalf biografieën over Burton heeft u gelezen?
‘Allemaal. En dat is heel interessant, want als je ze vergelijkt op de belangrijkste kwesties, laten we zeggen zijn huwelijk, dan heb je alle mogelijke antwoorden. De een zegt: het is een ‘match made in heaven’ en aan de andere kant van het spectrum zegt iemand letterlijk: nooit waren er twee mensen minder geschikt voor elkaar. Beide auteurs baseren zich op hetzelfde materiaal, dezelfde bronnen. De ene auteur interpreteert het alleen anders dan de andere. Als je alleen kunt speculeren, prefereer ik niet te speculeren. Dat is eerlijker, maar ook spannennder. Ik heb nooit van romans gehouden waarin de auteur alles van zijn karakters weet. Van die lange, realistische romans over een 55-jarige diamantverkoper die gedurende zijn hele leven meer van geld hield dan van zijn familie. Zo vat je in drie zinnen een heel leven samen. Dat is onmogelijk.’

Sir Richard Francis Burton (1821-1890) werd geboren in Devon en vertrok nadat hij van Oxford werd verwijderd als soldaat naar India.
Daar maakte hij zich al snel Hindoestani, Gujarati, Marathi, Perzisch en Arabisch eigen. Zijn donkere voorkomen stelde hem in staat zich uit te geven voor iemand van de lokale bevolking, een rol waar hij veel genoegen in schiep en die hem onder collega-officieren de bijnaam The White Nigger opleverde. Verkleed als Pathaan uit Afghanistan ondernam hij de hadj, waarover hij een succesvol boek schreef. Hij reisde door Egypte, Saoedie-Arabië, Somalië en Ethiopië en ontmoette uiteindelijk de beroemde kapitein Speke met wie hij probeerde de oorsprong van de Nijl te lokaliseren. In de herfst van zijn leven werd hij consul in Damascus en hij eindigde als diplomaat in Triëst. Tussen al zijn avonturen door vertaalde hij onder meer de “Kamasutra” en “De vertellingen van duizend en een nacht”. Burton dronk veel, lurkte graag aan de opiumpijp en was een verwoed verzamelaar van lokale porno. Hij trouwde met een devoot katholiek meisje dat na zijn dood veel belangrijke papieren, waaronder zijn dagboeken, heeft laten verbranden. De graftombe van Richard en Isabel Burton in Surrey heeft de vorm van een traditionele bedoeïnentent.