Ze droeg een capuchon

Dirk-Jan Arensman ,

De beruchte ‘Moors murders’ uit begin jaren ’60 inspireerden de Brit Rupert Thomson tot het het schrijven van Death of a Murderer. De auteur kreeg er nachtmerries van: ‘Ik werd zo bang dat ik me als een kind onder de dekens verstopte.’

De ober van Bar Tomás in de Barcelonese wijk Sarrià heeft een stem van grof schuurpapier die perfect past bij zijn norse oogopslag en de klap waarmee hij bestellingen op de formica tafeltjes smijt. Een intimiderend type, beaamt Rupert Thomson (1955). De eerste keer dat hij hier argeloos om witte wijn bij zijn patatas bravas (‘de lekkerste ter wereld’) vroeg, schudde de man resoluut zijn hoofd: ‘Vino negro, si. Vino blanco? No.’ Sommige dingen doe je gewoon niet. Zeker niet als toerist of nieuwkomer.
Maar de Brit woont hier nu drie jaar, en hoewel hij nog steeds niet weet hoe de man heet (‘Catalanen zijn niet erg scheutig met dat soort informatie’), is hij langzamerhand een béétje geaccepteerd als local. Helemaal sinds hij de man onlangs de Spaanse vertaling van zijn fantastische achtste roman "Death of a murderer" cadeau deed. In het kwartier dat we er zijn, begint de kelner er twee keer over. ‘Hij is erin aan het lezen, maar het gaat langzaam,’ tolkt de Brit. ‘Eerst dacht ik dat hij bedoelde dat hij gewoon weinig tijd had, maar hij zegt net dat hij het boek steeds weg moet leggen. Anders krijgt hij nachtmerries…’ Hij is niet de enige, blijkt later.
Maar eerst praten we een paar terrassen verder over hoe het begon, zes jaar geleden in ‘een van God verlaten dorp in het noordwesten van Engeland’: ‘Ik was daar met mijn vrouw naartoe verhuisd omdat mijn schoonvader op sterven lag. We waren volkomen geïsoleerd en ik werkte in een caravan midden in een akker aan een boek dat maar niet af wilde komen. Een verschrikkelijke tijd. Maar op een avond hoorde ik daar wel bij toeval een flard van een nieuwsbericht op de radio waar mijn adem van stokte: “Voor de vierde achtereenvolgende nacht wordt het lijk van Myra Hindley door de politie bewaakt in West-Suffolk Hospital.”’

41 dagen
Het verhaal van Hindley en haar partner Ian Brady die begin jaren ’60 vijf kinderen verkrachtten en vermoordden in de omgeving van Manchester en begroeven op de hei ten noordwesten van de stad – de beruchte ‘Moors murders’, het Britse equivalent van de zaak-Dutroux – kende hij uiteraard. ‘Het was misschien wel het eerste nieuwsfeit waar ik me bewust van was. Zoals ik ook altijd heb geweten dat ik van dezelfde leeftijd was als de slachtoffertjes. Mijn generatie is echt veranderd en beschadigd door die gebeurtenissen, wat het ook tot een taboeonderwerp maakte. Geen territorium waar je zomaar over gaat schrijven. Maar zodra ik die ene zin op de radio hoorde, wist ik dat dat de setting was die ik nodig had. Hoewel ik oorspronkelijk eigenlijk een toneelscène voor me zag: een podium met een lijk op de autopsietafel en vier politieagenten eromheen die zaten te roken en te kaarten.’
Die vier agenten werden er één, de uitgebluste veertiger met een strandend huwelijk Billy Tyler, die, terwijl hij in een doorwaakte nacht het gehate lijk bewaakt, zijn eigen leven en verleden overdenkt. En de regieaanwijzingen werden zo lang, dat hij al gauw wist dat hij toch weer aan een roman bezig was. Een die er overduidelijk uit moest, want de eerste ruwe versie schreef Thomson in 41 dagen.
‘Volkomen intuïtief. Het is het deel van het schrijven waar ik altijd het meest van geniet en dat tegelijkertijd beangstigend is. Je stapt letterlijk het onbekende in, met maar een vaag idee van waar je heengaat. Alsof je ’s nachts de weg op rijdt met je koplampen uit. Maar het heeft ook iets geruststellends, want je weet dat je iets heel genants kunt schrijven, omdat niemand het ooit zal lezen. Net zo min als de vierde of de twaalfde versie, trouwens. Zoals Truman Capote al zei: “Het echte schrijven is herschrijven”.’ Voor en na die 41 dagen – niet eens zijn record: de eerste draft van "The Book of Revelation" (1999) was er in 29 – moest het meeste werk worden verzet.

Monsters
Zo besloot hij bijvoorbeeld pas in een later stadium de naam Myra Hindley nergens te noemen. ‘Dat was niet om koket te doen. En het bleef de bedoeling dat ze, voor wie de zaak kent, vanaf de eerste pagina herkenbaar is. Maar op de een of andere manier leek haar naam op papier meer te wegen dan de woorden eromheen. Alsof wat ik deed erdoor kapseisde. Want als je “verzonnen feiten” samenbrengt met echte feiten, dan moeten die even authentiek klinken. Ik zie het als een ring, met de feiten als de setting en de fi ctieve elementen als de kostbare edelsteen die erin moet passen én meer moet glinsteren.’
Achteraf was het ook wel toepasselijk dat de moordenaar naamloos bleef. ‘Alsof ze iets vertegenwoordigt dat letterlijk niet genoemd mag worden. Ik schrijf met haar niet zozeer over het kwaad, maar over de manier waarop mensen het proberen in te kaderen en zich ervan te distantiëren. In de tabloids noemden ze haar bijvoorbeeld consequent “Monster”. Het was zij tegen wij – wij, de gewone mensen, tegenover een stuk of tien monsters aan de andere kant van de kloof die “anders” zijn. Wat ik in de loop van het boek hoop te laten zien, is hoe nauw die zogenaamde kloof eigenlijk is. Het hele boek is daarom één lange biecht van Billy Tyler. Hij probeert zo eerlijk mogelijk te zijn over zijn slechte kanten. Aan het eind weet je alles van hem, of in elk geval de ergste dingen die hij in zijn leven heeft gedaan.’ Je leest in door elkaar lopende fl ashbacks bijvoorbeeld over zijn obsessieve liefdes voor een charismatische maar licht sadistische jeugdvriend, Raymond Perceival, en een vroege minnares, Venetia, die hem ooit min of meer tot een moord dreef. ‘Dat heb ik namelijk altijd een van de fascinerende dingen gevonden aan de Hindley- zaak,’ zegt Thomson. ‘Die moorden kwamen voort uit een liefdesverhaal, uit hoe ze in de ban van Brady raakte. En op een bepaald moment hebben we denk ik allemaal wel zo’n liefde meegemaakt die je leven op z’n kop zet, iemand van je maakt die niet meer herkent. Bijna alsof je afstand van jezelf doet, en zegt: doe maar met me wat je wilt.’

Sober
Dat veel van die confessies gedaan worden aan de geestverschijning van de moordenares, was een groot risico, knikt hij. Op dat punt werd hij bijna zijn oude zelf – de man die in eerdere romans personages introduceerde die van gedaante konden veranderen of schijnbaar alleen ’s nachts konden zien of die, in "Divided Kingdom" (2005), het Britse eiland van overheidswege in vier enclaves liet verdelen waarin de bevolking werd ingekwartierd naar persoonlijkheidstype.
‘Terwijl ik met "Dood van een moordenares" juist op allerlei manieren iets heel anders wilde doen. De uitdaging was bijna om een verhaal te schrijven waarin, hoewel het wel een urgentie heeft, niets gebeurt. Hoewel ik bepaald geen bestsellerschrijver ben, lazen mensen mijn vorige boeken, als ze er al per ongeluk van gehoord hadden en ze nog kochten ook, altijd heel snel. Ze hadden een gedreven, bijna thrillerachtige plot. Nu wilde ik de lezer juist afremmen. En stond ik hiervoor misschien enigszins bekend om mijn uitbundige metaforen, bij een onderwerp als de Moors murders was taalvuurwerk uitgesloten. De stijl moest, tegen mijn natuurlijk instinct in, heel sober zijn. Mijn schoonzuster zei dat het was alsof de taal helder water is, en je daar doorheen naar de duistere dingen op de bodem kijkt.’ ‘Gewoon’ was het sleutelwoord, en daarin leek een spookfi guur aanvankelijk niet te passen. ‘Tot ik bedacht dat je, als je bijgelovig bent, kunt denken dat hij zo lang aan haar heeft gedacht dat hij haar als een soort medium heeft opgeroepen. Maar ben je sceptisch, dan wordt het gewoon een man die volstrekt uitgeput is en haar als een tweede versie van hemzelf gebruikt tegen wie hij kan praten.’
Hoe dan ook: het werkt. Zoals alles in deze roman.

Tien minuten
Dat heeft, naast Thomsons onversneden talent, waarschijnlijk alles te maken met de details die zijn uitputtende research opleverde. Hij interviewde gewone politiemannen van een jaar of veertig over hoe hun leven werd beïnvloed door hun werk. Hij ondervroeg de mensen die de bewakingsoperatie rond het lijk van Hindley hadden geleid. En hij wist zélfs toegang te krijgen tot het mortuarium waar ze lag. Uiteindelijk. ‘De National Health Service is een verschrikkelijk bureaucratische organisatie, met allemaal mensen die hun eigen stukje macht willen verdedigen. Maar ik wist dat ik daar binnen moest komen, om de roman te kunnen schrijven.’ Het leek hopeloos. Tot hij de naam van de nachtopzichter wist te krijgen. ‘Een vrouw van een jaar of veertig die er niet van op de hoogte bleek dat ik langs zou komen. Gelukkig waren een paar van de lastiger mensen er op dat moment niet, en toen ik haar de brieven liet zien die ik geschreven had, liet ze me er na middernacht in. Ik had mijn camcorder bij me en vroeg of ik mocht filmen hoewel ik zeker wist dat ze nee zou zeggen. “Ach,” zei ze, “ik zou niet weten waarom niet.”’
In de tien zenuwslopende minuten die hij binnen mocht blijven, legde hij alles vast. ‘Daardoor kon ik later al die cruciale details beschrijven. Hoe het afvoerputje er uitzag, of die ronde putjes in de deur waarvan ik later pas begreep dat ze er zaten omdat de brancards daar tegenaan knalden bij het binnenrijden.’
Een bijzonder moment. Net als Thomsons tripje naar Saddleworth Moor, de betoverde plek waar Hindley en Brady hun slachtoffers begroeven. ‘Toen ik door de zuidelijke buitenwijken van Manchester reed, had ik het gevoel dat ik in Billy veranderde. Hem letterlijk wérd, zoals een acteur in de huid van zijn personage kruipt. Op dat moment besloot ik dat ik alles wat ik zag en voelde in het boek zou komen: de stilte, het besneeuwde landschap, mijn voet die wegzakte in de modder en het enge besef dat ik in hun voetsporen trad.’

Droom
Wat je noemt nachtmerriemateriaal. ‘Nou heb ik in de eerste fase van het schrijven altíjd nachtmerries, omdat je dan zo veel overhoop haalt in je onderbewustzijn, denk ik. Volgens mijn vrouw ben ik dan zo onmogelijk om mee te slapen dat ze me regelmatig naar de logeerkamer verbant.’ Eén droom herinnert hij zich nog levendig. ‘Ik leek wakker te worden, en aan het voeteneind stond een duistere gestalte. Ik wist meteen dat zij het was, hoewel ik haar gezicht niet kon zien, omdat ze een capuchon droeg. Ik werd zo bang dat ik me als een kind onder de dekens verstopte.’
Wat een clichédroom eigenlijk, dacht Thomson toen hij eenmaal echt wakker was. ‘Maar toen ik er een paar maanden later over vertelde aan de actrice Samantha Morton, die Myra Hindley ooit heeft gespeeld, viel ze even stil, en zei toen: “Weet je wel dat dat klopt? Tegen het eind van haar leven droeg Myra inderdaad een capuchon, omdat haar haar uitviel…” De rillingen liepen over mijn rug. Het was alsof ik daadwerkelijk door haar was bezocht.’