‘Communicatie houdt de mensen dom'

P.F. Thomése is de auteur van 'J. Kessels: The Novel', een "briljant- banale, pseudo-autobiografische roman" over zijn beste vriend, J. Kessels. De VPRO Gids stuurde P.F. Thomése op bezoek bij P.F. Thomése. Want wie kent de schrijver beter dan de schrijver zelf?

Wat vindt J. Kessels hier eigenlijk zelf van?
P.F. Thomése: ‘Waarvan?’

Dat u hem als personage opvoert in uw roman J. Kessels: The Novel.
‘Dat moet u hem zelf vragen.’

Ik vraag het u.
‘Dan bent u aan het verkeerde adres.’

Dat betwijfel ik. U hebt het allemaal bedacht.
‘Ik heb niks bedacht. Het is allemaal echt gebeurd.’

Dus ook al die grove passages over Breda, om maar iets te noemen?
‘Nou ja, bijna alles dan. Omwille van het verhaal moet er af en toe iets bijgesteld worden. Anders kloppen bepaalde dingen niet meer. Het is echt omdat ik het zeg, laten we het daar op houden. Of wou u alles gaan controleren?’

Maar om Breda zo te kakken te zetten. Is dat werkelijk nodig?
‘In Tilburg vinden ze van wel. Maar sommige mensen hebben mijn boek nog niet gelezen. Dus misschien mag ik eerst even uitleggen waar J. Kessels: The Novel over gaat.’

Over J. Kessels, lijkt me.
‘De titel zegt het al. Inderdaad, dat heeft u goed gezien. Waarom vraagt u mij ernaar, als u het zelf zo goed weet?’

Ik vroeg u iets anders. Of het nou echt nodig was om de Bredanaars zo te kwetsen.
‘Doe ik dat? Ik heb er nog niemand over gehoord. Noch over de frituurbazen, noch over de negers, noch over de Duitsers. Terwijl die er het bekaaidst vanaf komen, de Duitsers. Eerst (overigens terecht) de Tweede Wereldoorlog verloren en nu dit weer.’

lles goed en wel, toch wordt u vaak voor een seksist en een antisemiet aangezien. Het staat zelfs op Wikipedia.
‘Dat klopt. Dat heeft de bekende journalist Joost Zwagerman erop gezet. Die heeft daar tijd voor.’

Is het dan onwaar?
‘Wijst u mij in mijn werk de passages aan waarin ik bevolkingsgroepen kwets.’

Maakt u een grapje? 'J. Kessels: The Novel' staat bol van de vooroordelen. En ook in 'Vladiwostok!' word je niet goed van de smeerpijperij.
‘Spreekt u voor zichzelf. Uw morele verontwaardiging zegt meer over uwzelf dan over mijn romans. Zelf zou ik liever over humor spreken. Of over waarheid. Bovendien zijn beide boeken zéér verschillend.
Enfin, niet alleen schrijven, ook lezen is een kunst die slechts weinigen beheersen. Uw probleem is dat u schrijver en personages niet uit elkaar weet te houden. U heeft te vaak op televisie naar uitzendingen van Postbus 51 zitten staren, en nu bent u overtuigd geraakt van het Grote Gelijk dat over u is uitgetoeterd.’

U verschuilt zich liever achter uw personages. Een flauw postmodernistisch trucje, lijkt me. Dat u daar nog mee durft aan te komen.
‘Meningen zijn voor de armzaligen van geest. Als je geen roman kunt schrijven, dan kun je altijd nog een mening hebben. Al heb je niks, dan heb je altijd nog een mening. Het is iets volstrekt onbelangrijks, een mening.’

Dat is uw mening.
‘Inderdaad. Maar in een roman gebeurt iets heel anders. Daar verschiet alles steeds van kleur, het is een kaleidoscoop waardoor je in het verhaal steeds iets nieuws kunt zien. Een personage is geen drager van ideeën, geen uithangbord. Als dat gebeurt is het mislukt. Als het goed is brengt een personage de gedachten juist op gang. Dankzij de ambiguïteit, dankzij het feit dat je als lezer niet precies weet wat de boodschap is. Als het goed is kun je een roman eindeloos blijven lezen zonder dat je een afdoende antwoord krijgt.
Er ontbreekt iets, denk je al lezende. Maar wat? Beauty plus pity, luidt de definitie van Nabokov. Beauty is wat de schrijver ervan maakt, pity is wat de personages oproepen, als het goed is. De schrijver is wreed, opdat de lezer barmhartig kan zijn.’

Leuk bedacht. Maar in J. Kessels: The Novel grossiert u anders in flauwe stereotypen.
‘Dat brengt de vorm met zich mee. Stereotypen horen overigens bij de literatuur, zoals een mening bij een column. Don Quichot van Cervantes, Jacques le fataliste van Diderot, Pnin van Nabokov, om maar wat te noemen, allemaal stereotypen. In dit rijtje dient men J. Kessels met zijn frikandellen te zien.
De stereotiepe, in de loop van het verhaal niet veranderende hoofdpersoon geeft de lezer de gelegenheid zich superieur aan het personage te voelen. Hij kan zich een soort schrijver wanen, iemand die boven de stof staat. Zoals de schrijver zich, op zijn beurt, een soort God waant die onzichtbaar afwezig door zijn zelf gemaakte universum zweeft.’

Alles goed en wel met uw literaire, ja religieuze hoogmoed naar aanleiding van uw snackbarroman, maar ik had het, met permissie, over de stereotypen die u bakt van vrouwen (grote borsten, kogelronde billen), van negers (grof geschapen), Duitsers (nazi’s), om over Bredanaars (broekepoepers) maar te zwijgen.
‘U bedoelt de karikatuur, als ik het goed heb. Dat is een stijlfiguur waarbij een bepaalde karaktertrek of eigenschap wordt uitvergroot. De andere stijlfiguur waar u meen ik op doelt, is de hyperbool, de overdrijving.’

Woorden, woorden, woorden. Daar bent u goed in hè? U weet heus wel wat ik bedoel.
‘Nee, ik weet niet wat u bedoelt. Dat is nu juist het probleem: dat iedereen van elkaar denkt dat de ander wel weet wat hij bedoelt. Woorden heeft men nodig om zijn eigen gedachten helder te krijgen – niet om een ander te begrijpen. Een ander is een vreemde, een zwart gat. Als ik schrijf, doe ik dat om zelf iets te begrijpen. Als ik lees trouwens ook. Schrijven en lezen hebben niets met communicatie te maken. Dat zei Roland Barthes al. Maar het kan geen kwaad om het nog eens te zeggen.’

Dus wat u betreft gaan we weer terug naar het solipsime en de navelstaarderij van de jaren zeventig? Het Revisor-proza en zo.
 ‘Mijn eerste verhaal verscheen inderdaad in De Revisor en later ben ik er een aantal jaar redacteur van geweest. Er was een periode dat daar de beste schrijvers publiceerden, that’s all. Wat is er overigens verkeerd aan solipsisme? Mijn beste ideeën krijg ik altijd alleen. Schrijvers behoren tot de weinige mensen die nog alleen zijn. Waar mensen samen zijn, praten zij elkaar na. Ik denk dat de hedendaagse domheid alles te maken heeft met de toegenomen communicatie.’

Waarom praat u dan nog met mij?
‘Omdat u niet bestaat.’

Maar ik zit hier tegenover u.
‘Dat zegt u. Ik zie niemand.’

Met wie praat u dan?
‘Dat vraag ik me ook af. Ik heb een sterk vermoeden van een zwart gat. Maar ik doe mijn best om net te doen alsof er aan de andere kant werkelijk iemand is.’

Ik dank u voor dit gesprek.
‘Niks te danken. Het hoort bij mijn werk, weet u. Krijg ik nu een fles wijn of zo?’