Booker 2009

Dirk-Jan Arensman ,

De meest prestigieuze literaire onderscheidng na de Nobelprijs is de Britse Booker Prize. Zes auteurs zijn genomineerd voor de 41ste uitreiking.

Als je de goklustigen moet geloven die in Engeland jaarlijks naar de wedkantoren stappen om hun Booker Prize-voorspelling te doen, dan is het glashelder wie komende dinsdag met de glorie en vijftigduizend pond naar huis gaat: Hilary Mantel. Kan niet missen. Toen haar roman Wolf Hall eind juli op de longlist bleek te staan, werd ze binnen achtenveertig uur van een respectabele outsider met odds van 12 tegen 1 tot dé grote favoriet. ‘Het lijkt wel alsof er een onuitgesproken helderziend gerucht de ronde heeft gedaan dat dit Hilary Mantels jaar wordt,’ zei een geschrokken woordvoerder van de bookmakers van William Hill in The Guardian. Begin augustus kon je je inzet nog verdubbeld zien als Mantel won; na de bekendmaking van de shortlist, op 8 september, stonden de odds op een weinig aantrekkelijke 4 tegen 5.
Nu hebben de gokkers in de geschiedenis van de Booker Prize maar zelden gelijk gekregen. Maar dat Wolf Hall exemplarisch is voor de keuze die de jury onder leiding van bbc-man Jim Naughtie maakte, staat wel vast. De zes kanshebbers schreven namelijk zonder uitzondering historische romans, en waar in voorgaande edities het exotische vaak hoogtij vierde (denk aan recente winnaars als Aravind Adiga en Anita Desai), is de lijst van 2009 wel extremely British te noemen. Op het navelstaarderige af. ‘Mist boven het Kanaal,’ zou de slagzin van het jaar kunnen zijn. ‘Het literaire continent geïsoleerd.’
Dus, ja, een 650 pagina’s dikke pil die speelt rond het hof van Henry VIII lijkt hoge ogen te kunnen gooien. Thomas Cromwell opvoeren als een haast sympathieke held is, gezien zijn reputatie als bloeddorstige schurk, verrassend. En Mantel weet je met haar levendige beschrijvingen en dialogen bij vlagen echt te transporteren naar de roerige wereld van Tudor Engeland. Maar uiteindelijk is het wel een érg lang kostuumdrama op papier. Degelijk, knap gedaan, maar ook een tikje stoffig. En je moet behoorlijk goed ingevoerd zijn in de Britse geschiedenis om de kleine honderd (!) personages die aan je voorbijtrekken te kunnen plaatsen en volgen.

Smakelijke horror
Ga je niet af op de gokkers maar op de verkoop, dan heeft de Welshe Sarah Waters, die al twee keer eerder op een Booker-shortlist stond, de beste papieren: van haar The Little Stranger werden al ruim 33.000 exemplaren verkocht; twaalfduizend meer dan mede-bestsellster Mantel, en de rest laat ze in harde cijfers nog veel verder achter zich.
Het is dan ook een buitengewoon smakelijke gothic horror-roman. Een ouderwets spookverhaal rond Hundreds Hall, het vervallen landhuis van de familie Ayres, verteld door hun langzaam ontsporende huisarts, Dokter Faraday. Die verteller is een gouden greep. Een man gevangen tussen de arbeidersklasse van zijn ouders en de hogere middenklasse, die met een mengeling van verliefdheid, afgunst en onderdrukt leedvermaak kijkt naar een adellijk gezin dat, in de veranderende wereld van de jaren vijftig, zijn bevoorrechte positie verliest (Britse thematiek! Britse thematiek!). Waters’ stijl en karakterschetsen zijn zoals altijd feilloos. En als eerbetoon aan pakweg Henry James’ The Turn of the Screw of The House of Usher van Edgar Allan Poe is The Little Stranger zeker geslaagd. Maar aan de beperkingen van het genre ontkomt zelfs Waters niet helemaal. Mysterieuze vlekken op het plafond, voorwerpen die hun bezitters aan lijken te vallen, onverklaarbare voetstappen en fluisterende meisjesstemmen… Hoe ze de duistere sfeer en spanning ook probeert op te bouwen, de trucjes zijn zó bekend dat het nooit echt huiveringwekkend wordt.

Ware gebeurtenissen
Outsiders doen het altijd goed bij de verrassingsbeluste Booker-jury’s, dus dat Simon Mawer of Adam Foulds met de winst gaan strijken, kun je óók al niet uitsluiten. Foulds’ tweede roman, The Quickening Maze – eerlijk gezegd de enige genomineerde titel die we nog níet lazen – klinkt intrigerend. Plaats van handeling is een privaat gesticht in Epping Forrest, waar eind jaren dertig van de negentiende eeuw twee dichters ronddwalen: de opgenomen natuurdichter John Clare én Alfred Lord Tennyson die in de buurt bivakkeert omdat zijn broer Steptimus er wordt behandeld wegens ‘melancholie’. Met, naast die twee, als derde verteller Dr. Allen, de behandelend arts die denkt een briljante uitvinding te hebben gedaan met de ‘pyroglyph’, een apparaat dat mechanisch houtsnijwerken moet gaan produceren. Fijn en op ware gebeurtenissen gebaseerd materiaal dat Foulds volgens de Britse critici verwerkte tot een compacte, poëtische vertelling. Simon Mawer’s The Glass Room (De glazen kamer, Anthos) bleef tot de nominatie betrekkelijk onopgemerkt in de pers. Ten onrechte, blijkt. Het is een mooi gecomponeerd, episch verhaal dat de gefictionaliseerde geschiedenis volgt van een modernistische villa in Tsjechoslowakije. Gebouwd in de jaren dertig voor het gezin Landauer, later geannexeerd door de nazi’s en de communistische staat tot het uiteindelijk weer in de handen van de rechtmatige eigenaren komt. Kleine mensen in de schaduw van grote verschuivingen dus – met sterke personages als de vrijgevochten huisvriendin Hanna en het glazen bouwwerk als voorbeeldig symbolisch middelpunt. Te voorbeeldig? Je zou het denken. Maar die villa bestaat ondertussen wel echt.

Literaire hattrick
Wil de jury dinsdagavond zélf geschiedenis schrijven, dan gaat de prijs naar J.M. Coetzee. De Zuid-Afrikaan kan namelijk, na onderscheidingen voor Leven en wandel van Michael K. (1983) en In ongenade (1999), als eerste schrijver ooit zijn derde Booker Prize ontvangen.
Of Zomertijd, het derde deel van een quasi-autobiografische reeks dat volgt op Jongensjaren (1997) en Portret van een jongeman (2002), zo’n literaire hattrick ook rechtvaardigt, is een tweede. Het idee kun je aardig vinden. Een Engelse biograaf interviewt een handvol mensen die volgens hem belangrijk zijn geweest voor de overleden Coetzee, om een beeld te krijgen van de periode 1972-1977 in diens leven. Onder meer een getrouwde vrouw met wie hij een sullige affaire had, zijn lievelingsnicht Margo en een Braziliaanse danseres wier dochter hij ooit bijles Engels gaf en die hij zogenaamd stalkte, komen aan het woord. Het levert een portret op van een kille man die toch voor zijn bejaarde vader zorgt, een buitenbeentje met lang haar en een mottige baard die niets te zoeken heeft in het macho-universum waarin hij leeft én een matige minnaar.
Noem het zelfspot, noem het een satirische kritiek op de overtrokken aandacht voor ‘de mens achter de schrijver’. Maar echt geestig wil deze cerebrale oefening maar niet worden. En het ontluisterende beeld dat Coetzee hier van zichzelf geeft, heeft via een ironische omweg eigenlijk iets ongelooflijk ijdels.

Betoverende saga
Goed. Vijf boeken, dus, waarvoor je stuk voor stuk die-móet-gaan-winnenargumenten kunt verzinnen. Maar onze tip is toch The Children's Book van A.S. Byatt. Ook een epos. Ook bijzonder Brits. En ook een verhaal dat deels is gemodelleerd naar historische figuren. Maar geen van de ‘concurrenten’ loopt zo over van ideeënrijkdom, flonkerende details en meeslepende eruditie.
Centraal staan de gezinnen van kinderboekenschrijfster Olive Wellwood (die opvallend veel overeenkomsten vertoond met E. Nesbit) en keramist Benedict Fludd, die Byatt volgt van 1895 tot 1919. Ze neemt je mee van Wellwoods landhuis in Kent en de bohemienachtige soaptaferelen die zich daar voordoen tussen egocentrische volwassenen die kind willen blijven en geestelijk verwaarloosde kinderen die als volwassenen worden behandeld. Naar de wereldtentoonstelling in Parijs en de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Ze beschrijft de wereld van een schrijfster die zich opsluit in de sprookjes die ze voor kinderen maakt (en die je deels ook te lezen krijgt), terwijl ze ondertussen zelf geen wezenlijk contact met haar eigen kroost kan maken. Een betoverende saga is het, over verloren onschuld en de offers die creativiteit kan vragen. Vol geschiedkundige en essayistische terzijdes die, zelfs als ze soms aan de didactische kant zijn, geen moment vervelen. Kortom, een krachttoer die herinnert aan Byatts sterkste roman tot nu toe: Possessions uit 1990. Daarvoor kreeg ze destijds al de Booker Prize. Voor The Children's Book verdient ze hem nu opnieuw.