Chinese meisjes werken zich op

Katja de Bruin ,

Drie jaar lang volgde journaliste Leslie Chang een aantal Chinese fabrieksmeisjes. ‘Ik wilde laten zien dat zelfs in zo’n geperverteerd systeem mensen zich weten te redden.’

e werken dertien uur per dag, zeven dagen per week. Aan de lopende band mag niet gepraat worden. Wie dat toch doet, krijgt een boete. Na het werk eten ze waterige soep in de bedrijfskantine, waarna ze vertrekken naar de slaapzaal, waar ze met z’n twaalven slapen.
Duizend mensen, voornamelijk vrouwen, werken in deze fabriek en de zestienjarige Min is een van hen.
Min is een van de hoofdpersonen uit Fabrieksmeisjes, een journalistiek boek dat bij vlagen leest als een roman. De auteur, Leslie Chang, werd in Amerika geboren uit Chinese immigrantenouders. Tot ze naar school ging, sprak ze uitsluitend Chinees. Toch had ze, toen ze als verslaggever voor The Wall Street Journal ging werken, niet de ambitie als correspondent naar China te gaan. ‘Dat zou te veel voor de hand liggen.
Bovendien is China een land dat is omgeven met clichés en stereotypes. Het heeft zo’n tragische geschiedenis. Ook mijn eigen familie heeft zo’n verleden. Ik wilde niet naar het dorp waar mijn familie vandaan kwam, dat vond ik veel te makkelijk.’
Uiteindelijk belandde Leslie Chang, na onder meer een standplaats in Tsjechië, toch in China.
‘Er bestaan veel misverstanden over China. Dat ligt deels aan China en de Chinezen zelf, maar ook aan de buitenlandse verslaggevers die zich bij voorkeur richten op de meest extreme kanten van bijvoorbeeld het fabrieksleven. Reportages gaan ofwel over de allerergste fabriek ofwel over de allerrijkste ondernemer. Als journalist voel je continu de druk de voorpagina te halen met een spectaculair verhaal. Dat gevoel ken ik zelf ook. Daarom wilde ik zo graag de tijd nemen om de mensen over wie ik schreef echt te leren kennen, zodat ik een realistischer en menselijker beeld van China kon schetsen.’
Chang bedacht dat het interessant zou zijn de economische revolutie invoelbaar te maken aan de hand van de levens van een aantal fabrieksarbeiders. En dat zijn in China meestal meisjes. Zonen nemen de boerderij over, meisjes zijn algauw overbodig en trekken weg.
China telt naar schatting 130 miljoen migrantenarbeiders; mensen die van het platteland naar de steden trekken om in de fabrieken te werken. Minstens tien miljoen daarvan wonen in Dongguan, een stad waar continu gebouwd wordt, die doorsneden wordt door tienbaans snelwegen, waar overal fabrieken verrijzen en waar nieuw aangekomen migranten in de berm lopen. Een lelijke, vieze, lawaaiige stad. Chang huurde er een appartement en ging op zoek naar fabrieksmeisjes.
‘Het was niet moeilijk ze te leren kennen en hun vertrouwen te winnen,’ vertelt ze, ‘maar het bleek ontzettend lastig om ze niet uit het oog te verliezen. Dat gebeurde voortdurend. Vaak wist ik alleen hun naam en het dorp waar ze vandaan kwamen. Maar zo vind je in China niemand terug. Dus noteerde ik op den duur van iedere neef en iedere vriendin het mobiele telefoonnummer. Je kunt je niet voorstellen hoe belangrijk die telefoon is in een migrantenleven. Als je zo vaak verhuist, geeft die telefoon je een locatie in de wereld. Als je dat ding verliest, zoals Min overkwam toen ze weer eens naar een nieuwe fabriek verhuisde, ben je in een klap je hele sociale leven kwijt.’
Uiteindelijk volgde Chang bijna drie jaar lang de turbulente levens van Min en Chunming. Terwijl ze samen winkelden of in een café zaten, vertelden ze haar alles over hun zoveelste nieuwe baan, hun pogingen Engels te leren, hun valse diploma’s en hun liefdesperikelen.
Zo zien we hoe deze meisjes, afkomstig uit de onderste regionen van de samenleving, gestaag de sociale ladder beklimmen. Ze beginnen allemaal in een fabriek van de ergste soort, maar nemen daar vaak al na twee maanden ontslag om in een iets betere fabriek aan de slag te gaan. Op die manier gaan ze telkens iets meer verdienen en na verloop van tijd verruilen veel van hen de lopende band voor een bureau. De meisjes die Chang ontmoette, waren allemaal ongelofelijk gedreven. Naast hun lange werkdagen volgden ze cursussen om hogerop te komen en als dat niet werkte, kochten ze een vervalst diploma of bluften ze zich door hun sollicitatiegesprek heen. Liegen en bedriegen is voor een Chinees de gewoonste zaak van de wereld, zo merkte Chang.
‘Natuurlijk wist ik dat de overheid op alle niveaus corrupt is, maar ik had geen idee dat die corruptie op ieder denkbaar niveau was doorgedrongen. Het speelt tussen een baas en zijn werknemer en zelfs tussen een meisje en haar vriendje. Iedere relatie draait erom of die ander jou kan helpen om hogerop te komen. Die meisjes schamen zich daar ook niet voor. Het fundament waarop China is gebouwd, is niet ethisch en zuiver, maar toch functioneert dat land. Ik wilde laten zien dat zelfs in zo’n geperverteerd systeem mensen zich weten te redden.’ In haar eerste baan verdiende Min vierhonderd yuan (ongeveer vijftig dollar) per maand. Een paar jaar later verdiende ze meer dan tienduizend yuan per maand. In een half jaar tijd spaarde ze vierduizend dollar bij elkaar, waarvan ze 1300 dollar naar huis stuurde. Nu onderhoudt Min, samen met haar zus, haar ouders, die van de opbrengst van hun piepkleine stukje land hun vijf kinderen maar ternauwernood konden voeden. Ze hebben een televisie en een dvd-speler, en dromen van een villa die hun twee oudste dochters bij elkaar moeten gaan verdienen. Dankzij Mins inkomsten kan haar jongere zusje naar de middelbare school en volgt haar broertje Engelse les.
Chang reisde een aantal keren met Min naar haar geboortedorp. Zo leert ook de lezer het primitieve Chinese platteland kennen, waar hele gezinnen in hetzelfde bed slapen, waar vader vanuit zijn stoel op de vloer spuugt en waar warm water een ongekende luxe is.
‘Dat de omstandigheden primitief zouden zijn, wist ik. Het is een soort kamperen. Wat ik moeilijker vond, was dat je in zo’n dorp werkelijk volstrekt geen privacy hebt. Iedereen zit constant op elkaars lip. Daardoor begreep ik een beetje wat die migranten doormaken als ze helemaal alleen in zo’n stad aankomen. Voor het eerst in je leven ben je alleen. Dat is beangstigend, maar ook bevrijdend, omdat niemand je in de gaten houdt. En dat geldt zeker voor de meisjes. Min paste natuurlijk totaal niet meer in dat dorp. Toch had ik verwacht dat ze zich thuis als een respectvolle, gehoorzame dochter zou gedragen, maar het tegendeel was het geval. Zodra ze thuis was, hing ze al met vriendinnen aan de telefoon om te vertellen hoe smerig en koud het thuis was, en dat er niks te beleven viel. Daar zaten haar ouders gewoon bij. Dankzij haar geld heeft ze zich een nieuwe machtspositie verworven in het gezin. Ze vertelt haar vader wat hij wel en niet moet doen. Toen mijn grootvader in 1927 vanuit Amerika, waar hij had gestudeerd, terugkeerde naar zijn geboortedorp, kreeg hij van mijn opa een pak slaag omdat hij zonder diens toestemming van studie was veranderd. In plaats van literatuur was hij mijnbouw gaan studeren om zo zijn land vooruit te kunnen helpen. Zijn vader begreep helemaal niets van het Amerikaanse universitaire stelsel, maar in een Chinese familie is vaders woord wet, dus kreeg mijn opa zo’n pak slaag dat hij een paar dagen niet kon zitten.’

Fabrieksmeisjes van Leslie T. Chang verscheen bij uitgeverij Artemis & Co en werd vertaald door Albert Witteveen