De methode Dalrymple

Kees Sluys ,

Je hoeft het werk van de door hem behandelde auteurs niet per se te kennen om toch geboeid te raken door Theodore Dalrymple’s observaties en conclusies.

De titel van zijn nieuwste boek Profeten en charlatans, ondertitel: ‘Hoe schrijvers ons de wereld laten zien’, is niet door Theodore Dalrymple (1949) zelf bedacht. De selectie van de eerder in het Amerikaanse tijdschrift The New Criterion en in zijn laatste boek Not with a Bang But a Whimper gepubliceerde stukken is evenmin van eigen hand. Verantwoordelijk daarvoor is filosoof/publicist/vertaler Jabik Veenbaas. In diens inleiding lezen we dat ‘Dalrymple’s literaire essays iets buitengewoon verfrissends [hebben], doordat zijn methodiek zo afwijkt van die van de gangbare literaire essayist. De literatuur wordt bij hem veel sterker dan bij hen in de context geplaatst van het buitenliteraire.’
Dalrymple’s reputatie kennende is dit allesbehalve vreemd. De oud-gevangenispsychiater (echte naam Anthony Daniels, Dalrymple is een van zijn noms de plume) publiceerde onder meer cultuurkritische beschouwingen als Leven aan de onderkant, Beschaving, of wat ervan over is en Drugs. De mythes en de leugens. Ook in zijn nieuwe bundel neemt hij geen blad voor de mond. Misschien is dat reden voor het feit dat zijn werk in Engeland, waar hij geboren en getogen is, weinig populair is.
‘In Engeland wordt mijn werk voornamelijk genegeerd,’ zegt hij wanneer we hem eind september in Amsterdam spreken. ‘Sinds kort heb ik een Engelse uitgever, daarvoor moest ik in de VS publiceren. Op zich geen probleem, maar het is wel eigenaardig. Ik denk dat nogal wat mensen zich enigszins ongemakkelijk voelen met mijn waarnemingen en opinies. Het klinkt misschien een beetje paranoïde, maar volgens mij is het geen kwestie van commercie dat ze me niet willen. Zoveel boeken hoef je niet te verkopen om toch een beetje winst te maken. Ik spreek soms harde oordelen uit, en daar is men in Engeland als de dood voor. Maar als we überhaupt geen onderscheid meer maken tussen goed en slecht, wint het kwade het altijd van het goede. John Carey, een bekende emeritus-Oxfordprofessor, schreef een stuk getiteld: ‘What good are the arts?’ Deze man, die Engelse literatuur in Oxford heeft gedoceerd en boeken heeft geschreven over John Donne en William Golding, zegt dat je van geen enkel menselijk product kunt zeggen dat het beter of slechter is dan het andere. Dat soort uitlatingen heeft natuurlijk op een of andere manier zijn weerslag. Als studie, oefening en diep nadenken niet zouden resulteren in iets beters, waarom zou je je dan nog inspannen?

Charlatans
Door (her)lezing van, veelal klassieke, werken tracht Dalrymple nauwkeurig te achterhalen waar de schrijver eigenlijk voor staat. Zo prijst hij Anthony Burgess, de auteur van A Clockwork Orange, omdat deze moeilijke en raadselachtige vragen van het menselijk bestaan (zoals de geweldddadigheid van de jeugd) ‘op een buitengewoon diepzinnige manier oproept en ons dwingt om erover na te denken. Dat combineren met vlijmscherpe maatschappijprofetie (…) is geniaal.’ Er staan meer lovende stukken in dit boek. Neem La Rochefoucauld, die in zijn Maximen met ‘de haarscherpe erkenning van de veelvormige manifestaties van eigenbelang en eigenliefde (…) ons meer vertelt over de menselijke natuur dan duizend bladzijden Freud’. Positieve stukken ook over Ballard, Shakespeare (King Lear), Conan Doyle en Somerset Maugham, die hij verdedigt tegen de onbegrijpelijke weerzin die zijn werk kennelijk op velen uitoefent.
Vaak is Dalrymple minder ingenomen met de consequenties van het denkwerk van schrijvers. Zo heeft Jung vooral ‘duizenden bladzijden rotzooi’ gepubliceerd, die ‘het beste maar kunnen verstoffen’. Het is misschien niet zo origineel om Jung nog eens te attaqueren, net zoals Kerouac al vaker de mantel is uitgeveegd, leerzaam en onderhoudend blijft het wel. Naast deze charlatans komen ook ‘Foucault en zijn trawanten’, Oscar Wilde (The Ballad of Reading Gaol), Ibsen (Hedda Gabler), Tolstoj (De dood van Ivan Iljitsj) en Ezra Pound (Cantos) er uiteindelijk niet best vanaf.
Het gaat bij Dalrymple per saldo altijd om goed en kwaad. In een prachtig hoofdstuk, getiteld 'Meneer Hyde en de epidemiologie van het kwaad', is hij misschien wel op zijn best. Hij wijst er op hoe merkwaardig het is dat Stevensons schepping een ‘alomgebruikelijke metafoor in het leven heeft geroepen en dat die vrijwel altijd op een manier wordt gebruikt die precies tegengesteld is aan de betekenis die diepere lezing van het verhaal zelf suggereert’. Stevenson vertelt ons namelijk ‘helemaal niet dat het kwaad een vreemde macht is waarover we geen controle hebben (…) maar dat ons vermogen om kwaad te doen, als we ons daaraan blijven overgeven, oneindig zal worden vergroot en ons ten slotte helemaal zal overweldigen.’ Bijna wanhopig klinkt de verzuchting: ‘Was géén kennis van de literatuur dan beter dan een verkeerd begrip van de literatuur?’

Moordproces
Hedendaagse schrijvers, zoals bijvoorbeeld Ian McEwan, ontbreken in de bundel. Dalrymple: ‘Ik heb hem gelezen, en misschien schrijf ik nog wel eens over hem. Maar ik neem onderwerpen die mij het meest na aan het hart liggen. Ik kijk naar mijn boekenkast en denk: o, dat is misschien wel interessant.
Met mijn ervaringen als arts en gevangenispsychiater neem ik literatuur misschien op een iets andere wijze tot me dan de meeste mensen. Ik lees boeken bijna alsof het verslagen van moordprocessen zijn, ik ben altijd op zoek naar contradicties en dingen die niet kloppen. Ik probeer de consequenties te trekken uit wat schrijvers zeggen. Beperkt misschien, maar dat is nu eenmaal mijn manier. Ik beschouw literatuur als reflectie op het leven.’
Of hij met zijn achtergrond beter geëquipeerd is dan anderen durft Dalrymple niet te beweren. ‘Maar iemand als Somerset Maugham dacht dat een medische opleiding zeer goed was voor schrijvers. Er zijn ook veel artsen die schrijven. Dokters zijn heel intiem betrokken bij hun patiënten, hun diepste ervaringen en angsten. Aan de andere kant moet een arts afstand houden. Dat is een zeer goede combinatie. Je dringt diep door in hun leven, maar tegelijkertijd ben je een beschouwer.’
Dalrymples stukken roepen regelmatig de vraag op inhoeverre je een schrijver zijn opinies kunt verwijten. ‘Het kan zijn dat ik sommige schrijvers unfair behandel, maar ik probeer wel altijd argumenten aan te dragen. Misschien moet ik het zo zeggen: sommige schrijvers maken fouten, anderen zijn emotioneel en intellectueel onoprecht. Tolstoj was op filosofisch gebied een charlatan, maar misschien was hij tegelijkertijd wel de grootste romancier. Dat kan samengaan. Maar Pinter is een poseur en iemand als Virginia Woolf (de laatste is niet in deze bundel opgenomen –red.) is onoprecht. Wat is het probleem met Woolf? ‘In 1938 schreef ze Three Guineas, waarin ze haar ongenoegen over Engeland beschrijft. Ze maakt daarin voortdurend de vergelijking met nazi-Duitsland. Nou, mijn moeder, die toevallig uit nazi-Duitsland afkomstig is, had helemaal geen moeite om dat onderscheid te maken. Maar Woolf heeft zich er nooit voor verontschuldigd. It is absolutely astonishing rabbish’.

Theodore Dalrymple: Profeten en charlatans - Hoe schrijvers ons de wereld laten zien (vertaling Jabik Veenbaas, uitgever Nieuw Amsterdam)