In voorbereiding: Désanne van Brederode

Katja de Bruin ,

Zes Nederlandse auteurs vertellen over de totstandkoming van hun nieuwe roman. Een tv-programma over de Deventer moordzaak bracht Désanne van Brederode op het idee voor haar roman 'Door mijn schuld'.

‘Op een warme zomeravond zat ik te kijken naar een programma waar ik anders nooit naar kijk: De reünie. Daarin zat de vrouw van Ernst Louwes, die man van de Deventer moordzaak. Een heel aardige, lieve mevrouw van wie ik me goed kan voorstellen dat de gemiddelde Libelle-lezeres zich erin herkent, of in ieder geval compassie mee heeft. Die vrouw intrigeerde mij. Ze dook in allerlei media op. Ik vroeg me af of dat juridisch zomaar mocht, want zoiets beïnvloedt natuurlijk ook hoe mensen over die Louwes denken. Er zijn genoeg mensen die denken: hij heeft een aardige vrouw, dus hij zal ook wel aardig zijn. Zijn vrouw is overtuigd van zijn onschuld en dankzij Maurice de Hond en de media weten duizenden Nederlanders ook zeker dat zijn veroordeling een rechterlijke dwaling is geweest. Het deugt voor geen meter, maar zelf heb ik altijd intuïtief het gevoel gehad dat hij het wel gedaan heeft. Na het zien van dat programma dacht ik: stel nou dat hij het inderdaad wel heeft gedaan. Dan zit hij zijn straf uit met ergens in zijn achterhoofd het idee dat het recht zijn loop heeft gehad. Voor zijn gezin houdt hij vol dat hij het niet heeft gedaan, maar straks komt hij vrij en dan wil hij wel aan zijn vrouw de waarheid kunnen vertellen. Om daarna in alle eerlijkheid verder te kunnen. Hoe moet het zijn om te willen zeggen dat je het gedaan hebt, terwijl er een stemming is gecreëerd waardoor iedereen jou een geweldige man vindt, zodat je zelfs in de beslotenheid van je huwelijk niet meer je schuld kunt bekennen. Want dan zegt die vrouw: “Nee, dat kan helemaal niet! Het zijn die vuile mensen van Justitie met hun verkeerde bewijzen. Ze hebben je gehersenspoeld.” Het lijkt mij verschrikkelijk erg om niet te kunnen biechten. Dat lijkt mij de grootste gevangenis denkbaar. Het is natuurlijk ook verschrikkelijk als je onschuldig bent terwijl iedereen in jouw schuld gelooft, maar dat ligt meer voor de hand.’

Onvoorstelbaar
‘Dit gegeven, natuurlijk helemaal losgekoppeld van Louwes en deze zaak, vormde het uitgangspunt voor mijn boek. Ik vind het raar dat je kunt zeggen: mijn man doet zoiets niet. Of zoals vrouwen vaak zeggen: mijn kind doet zoiets niet. Je kunt hooguit zeggen: ik vind het onvoorstelbaar. Als straks de politie aanbelt en zegt dat mijn man een moord heeft gepleegd in een parkje zal ik ook zeggen: neeeeee! Natuurlijk. Maar ik zal niet snel zeggen: ik ken hem door en door en weet zeker dat hij het niet heeft gedaan. Als je van mensen houdt, ben je verplicht te geloven in hun eerlijkheid, maar ik vind dat dat niet vergezeld mag gaan van een zinnetje als: als ik hem al niet ken... Dat heeft iets aanmatigends. Sommige mensen lijken hun eigenwaarde of zelfs de zin in hun leven te ontlenen aan het idee dat zij die ander helemaal kennen en beheersen. Alsof diegene een soort boek is dat je al tien keer gelezen hebt.
Als ik aan een nieuw boek begin, heb ik een vraag nodig. Een vraag waarop ik niet eens een antwoord wil, maar waarvoor ik een boek lang de tijd wil nemen om hem van alle kanten te kunnen stellen. Het liefst wil ik met nog meer vragen achterblijven dan waarmee ik begon. Ik heb dit keer geprobeerd een boek te schrijven waarin je als lezer wordt meegezogen, wilt weten hoe het afl oopt. Veel mensen denken dat mijn boeken heel zwaar zijn. Dat je filosofisch onderlegd moet zijn om ze te begrijpen. Dat ligt aan de media, maar voor een deel ook aan mezelf. Ik vond het leuk om te kijken of ik iets kon schrijven met een kop en een staart, waarin ik niet allerlei zijpaden insla en waarin niet allerlei existentiële levensvragen worden gesteld.’

Leermeester
‘Ik heb één held, dat is Graham Greene. Dat is mijn leermeester. Zijn boeken beantwoorden volledig aan hoe ik vind dat een boek moet zijn. Ik lees hem ter ontspanning, maar ook om te kijken hoe hij iets aanpakt. Niet om hem te imiteren, maar om dingen in de vingers te krijgen. Waar breek je een passage abrupt af ten behoeve van een bepaald soort spanning? Hoe wissel je scènes af? Hij doet dingen die ik ontzettend mooi vind en die ik bij andere schrijvers niet zo vaak zie. Greene kan een metafoor gebruiken die als metafoor al heel mooi is, maar een paar bladzijden later pakt hij diezelfde metafoor en verwijst hij naar iets werkelijks. Wat dat betreft lijkt schrijven veel op muziek. Een pianosonate waarin al even een muzikale lijn opklinkt die je ontroert, en die in het tweede deel ineens groot wordt uitgewerkt. Dat zijn volgens mij dingen waar je alleen maar zelf van geniet hoor, want ik vraag me af of een lezer dat doorheeft, maar misschien werkt het op een onbewust niveau wel.’

Afgrond
‘Reve had het over het boek dat alle andere boeken overbodig maakt. Dat vind ik wel heel leuk gesteld, maar tamelijk pathetisch. Wat mij betreft zou de ideale roman zo moeten inslaan dat iemand daarna een maand lang niks anders wil lezen. Niet zo’n boek dat je uit hebt en weer op je lees-cv’tje kunt zetten, maar een boek dat onder je huid kruipt en dat ook een naar, ongemakkelijk gevoel geeft.
Soms heb je als schrijver een keuzemoment. Je denkt: ik kan deze weg inslaan, maar ik kan ook die weg nemen, die eigenlijk eng want onvoorspelbaar is. Als je kiest voor die enge weg kan het voor jezelf confronterend worden. Je komt op plekken in je onderbewustzijn, of misschien zelfs je ziel, waar het niet erg goed toeven is. Plekken die je beter kunt mijden omdat dat psychisch gezonder is. Aan de meeste schrijvers zie je volgens mij wel welke weg ze gekozen hebben. Zelfs als een verhaal geestig is of spannend zie je of ze rakelings langs die afgrond zijn gegaan, of er zelfs in zijn gevallen. Daar tegenover staan schrijvers die denken: o, een afgrond, daar ga ik met een wijde boog omheen.
Ik kies altijd voor de moeilijke weg. Dat is geen bewuste keus, ik wil het boek schrijven dat ik zelf graag zou willen lezen. Als ik schrijf, lees ik alleen slechte boeken. Daarvan raak ik niet in paniek. Op het moment dat je hele goeie boeken leest, wordt je eigen werk ineens zo overbodig. Toen ik mijn man, die literair criticus is, net kende had ik daar ook heel erg last van. We woonden piepklein, op 42 vierkante meter, en elke dag kwamen er drie, vier boeken binnen. Alles was ingebouwd tussen die boeken. De eerste tijd kon ik niets. Hoe had ik ooit durven denken dat ik schrijver wilde worden? Dat gevoel heb ik nog wel eens als ik in een grote boekhandel of bibliotheek ben en en langs al die meesterwerken loop waarvan ik weet dat ze heel goed zijn, maar waar ik nog nooit een blik in heb geworpen. Je eert die mensen die echt iets moois hebben gedaan niet eens en je denkt zelf dat je ook iets kan. Eigenlijk is dat heel aanmatigend.’

De roman Door mijn schuld van Désanne van Brederode verschijnt in oktober bij uitgeverij Querido.