Laagland

Dirk-Jan Arensman ,

Joseph O’Neill bracht zijn vormende jaren in Nederland door. In Laagland komen zijn jeugd, cricket, ‘9/11’ en New York samen. Het boek is in Amerika als een sensatie onthaald.

O’Neill (1964) proeft, bladerend door de vertaling van zijn boek, goedkeurend een paar woorden op zijn tong. ‘Sommige dingen klinken zelfs béter in het Nederlands! ‘“Goedkoop verlangen” vind ik bijvoorbeeld echt een prachtige uitdrukking.’ Even later leest hij verrukt voor: ‘Floisteren…’ Nee, de schrijver is dik tevreden over Laagland. Of, zoals hij in vrijwel accentloos Nederlands concludeert: ‘Een hele mooie vertaling.’ Wonderlijk, maar ook verklaarbaar. Want O’Neill werd weliswaar geboren in Cork, als zoon van een Ierse vader en een Turkse moeder, hij werkte als advocaat in Londen en woont inmiddels al een jaar of tien in het befaamde Chelsea Hotel. Maar zijn vormende jaren bracht hij in Nederland door. Hij ging naar een internationale school in Den Haag, had als een gezonde Hollandse jongen een krantenwijk en speelde zelfs cricket in het nationale jeugdteam. ‘Ik ben hier al tien jaar niet geweest, en het beeld dat ik van het land heb is zo’n beetje stil blijven staan in 1986. Maar het blijft wel mijn jeugd.’ Hij bleef een cricketer die weet hoe je op de juiste bekakte toon ‘Hae Ce Ce’ zegt, als je het over de vereniging in de hofstad hebt, en die zich nog graag een ‘honorary Dutchman’ mag noemen.
En bizar genoeg waren dat twee van de bouwstenen die hem en zijn roman Netherland vorig jaar binnen een mum van tijd tot dé literaire sensatie van de New Yorkse boekenwereld maakten. Iemand die in tijdschriften werd gekroond tot ‘the King of New York’ en door toonaangevende critici werd vergeleken met Saul Bellow, V.S. Naipaul en F. Scott Fitzgerald. ‘Ik weet nog dat ik die recensies las, en dacht: dit is een droom.’
Geen wonder, want aan succes was O’Neill niet echt gewend. De twee romans die hij nog in Engeland schreef werden hooguit door vrienden en familie gelezen, en die stonden ook al niet te juichen bij wat hij in de avonduren bij elkaar tikte. Het manuscript van de tweede, The Breezes (1996), werd door zijn latere vrouw, destijds redacteur bij uitgeverij Farrar, Straus and Giroux, ooit zelfs afgewezen! (En toch met haar getrouwd, dus? Hij lacht. ‘It’s pathetic, isn’t it?’)

Sjacheraar
Toen hij in 2001 desondanks definitief voor het schrijverschap koos, leek zijn nieuwe project alweer geen geheid succesverhaal. ‘Als ik erover vertelde, waren mijn vrienden heel beleefd, maar stiekem moeten ze gedacht hebben: arme jongen... wie wil er nou lezen over zoiets obscuurs als cricket in New York?! En dan ook nog met een hoofdpersoon die Hans van den Broek heette?! Who in Amercia gives a hood about a Dutch narrator?! Eigenlijk voelde ik me eerder gedoemd om dit boek te schrijven dan dat ik er opgetogen over was.’
Het gunstig uitgevallen noodlot sloeg toe toen hij in zijn nieuwe thuisstad zijn bat weer wilde oppakken. ‘Gewoon omdat de zomer voor mij synoniem is met die sport. Ik werd dus lid van de Staten Island Cricket Club, een heel oude club die volkomen uit immigranten bleek te bestaan, en was me vrijwel direct bewust van de verhalende potentie van dat milieu. Het is voor de gemiddelde Amerikaan een volkomen onbegrijpelijke en onzichtbare wereld. Een perfecte metafoor voor de positie van zwarte immigranten én voor het onvermogen van Amerika om de buitenwereld te zien en te begrijpen. Maar,’ benadrukt hij, ‘eigenlijk wilde ik dat ook meteen weer vergeten. Anders ga je naar thema’s toe schrijven in plaats van dingen organisch te laten ontstaan. Te fantaseren.’ Dat fantaseren leverde een prachtig, meanderend boek op en twee onvergetelijke personages.
Om te beginnen is er, zoals gezegd, Hans van den Broek, een Nederlandse financieel analist, die als zijn Britse vrouw na de aanslagen van 11 september 2001 uit angst en verontwaardiging over Bush’ war on terror met hun twee kinderen terugkeert naar Londen, verward en ontheemd achterblijft in het Chelsea Hotel. Maar de troefkaart van Laagland is ongetwijfeld Chuck Ramkissoon. Hans ontmoet die charismatische sjacheraar uit Trinidad op het cricketveld en raakt, net als de lezer, volkomen door hem gefascineerd. Door zijn hilarische, breedsprakige monologen over de beschavende werking van zijn lievelingssport, de louche zaakjes waar hij zijn geld mee lijkt te verdienen én zijn grote droom: het bouwen van een gigantisch cricketstadion op een eiland midden in Brooklyn.
 ‘Sommige mensen hebben wel gezegd dat hij een cliché is. De arme sloeber die vecht voor zijn eigen Amerikaanse Droom. Maar het interessante is dat Chuck ook heel goed weet dat hij dat is. Hij grijpt die rol aan als zijn kans om te slagen in het leven.’
Dat dat uiteindelijk niet zal lukken, weet je vanaf de eerste pagina’s, waarin Hans, die inmiddels weer in Londen woont, in 2006 een telefoontje krijgt: zijn vriend is dood aangetroffen, met handboeien om zijn polsen verdronken in een kanaal.

Great Gatsby
Een whodunnit wordt het daarna geen moment, maar die boodschap brengt wel een associatieve stroom aan herinneringen op gang. Aan Hans’ transatlantische huwelijkscrisis, aan zijn Haagse jeugd, zijn belevenissen met dat visionaire gangstertje en aan de stad die O’Neill schitterend en opvallend lyrisch beschrijft.
 ‘Natuurlijk is die lyriek riskant,’ beaamt hij. ‘Maar herinneringen en nostalgie liggen heel dicht bij elkaar. En bovendien heeft Hans dat gevoel van verwondering nog dat ik ook had toen ik net in New York was en die stad met verse ogen bekeek.’
Hij zwijgt even. ‘In Engeland proberen schrijvers dat niet eens, zo’n lyrische toon. Daar zijn ze dol op babbelig proza. Bescheidenheid. Alsof ze willen zeggen: wie denk je wel dat je bent? Het is al erg genoeg dat je een boek schrijft, dus ga nou niet ook nog eens proberen een groots boek te schrijven!’
 Een Engelse auteur heeft hij zich nooit gevoeld: geef hem de Amerikaanse traditie maar. Al vindt hij het wat ongemakkelijk om te praten over die andere roman ‘over een man die terugdenkt aan een andere man die is verdronken en een beetje een schurk was’ waar Laagland vaak in één adem mee is genoemd: The Great Gatsby. ‘Het is zo’n icoon van perfect schrijven, dat het wel erg aanmatigend zou vinden als ik mijn boek er zelf mee ging vergelijken. Het is een meesterwerk dat elke regel van hoe je een roman zou moeten schrijven breekt. Fitzgerald flirt in zijn stijl voortdurend met overwriting, met zijn personages ben je eigenlijk nooit echt begaan en de plot is ook nogal dunnetjes. Alles wat je niet moet doen doet-ie, en toch werkt het.’

9/11
Een dergelijk durf lijkt hij in Laagland ook te hebben gehad. ‘Er gebeurt van alles, maar de elementen komen nergens netjes samen. Ik vergelijk het wel eens met een scheikundeproef: al die herinneringen en gedachten druppelen in tien of twaalf kleine glaasjes die op zichzelf geen van allen the trick zullen doen. Voor het juiste effect moet je ze allemaal leegdrinken.’
Ook dat werkt. ‘Maar of dat een verdienste is... Uiteindelijk ben ik gewoon niet goed in well plotted novels. Het is niet alsof ik Oorlog en Vrede had kunnen schrijven, en besloot dat toch maar niet te doen.’ Heeft hij tot slot zelf een verklaring voor die overweldigende Amerikaanse kritieken?
‘Voor een deel heeft het denk ik te maken wat ooit een handicap leek: dat ik een wereld beschrijf die niemand kende. Mensen houden nu eenmaal van nieuws. Zeker als je ze er, met beschrijvingen van dingen die hen wel vertrouwd zijn, naartoe lokt. En hoewel ik nooit een “9/11-roman” heb willen schrijven, is de treurige waarheid dat tragische historische gebeurtenissen goed materiaal zijn. Een boek dat ik New York na 11 september 2001 speelt lijkt makkelijker belangrijk dan een dat speelt in, pakweg, Zwitserland in 2004. Dat is niet eerlijk. Maar de literatuur is nou eenmaal niet eerlijk.’

Joseph O’Neill: Laagland (oorspr.: Netherland, vertaling Auke Leistra, uitgever De Bezige Bij)