Mijn publiek wordt steeds groter

Katja de Bruin ,

Al jaren schrijft Thomas Verbogt de ene roman na de andere. Dag en nacht is hij bezig met zijn werk. ‘Als ik bij de slager een ons rosbief haal, denk ik: hoe zou mijn personage dat vragen?’

Je hebt van die schrijvers die vooral graag de schrijver uithangen. Voor dat soort koketterie is Thomas Verbogt veel te bescheiden. Toch is hij het schoolvoorbeeld van de geboren schrijver. Iemand die al jaren het ene mooie boek na het andere afl evert en die leeft voor zijn schrijverschap. Verdwenen tijd heet zijn nieuwe roman, de eerste na het succesvolle Eindelijk de zee dat twee jaar geleden verscheen. In Verdwenen tijd vinden we veel vertrouwde Verbogt-elementen terug: de mannelijke hoofdpersoon die in de jaren zestig opgroeit in Nijmegen, de levensechte dialogen, de melancholie die nergens ontaardt in sentimentaliteit, de talloze kleine verwijzingen naar muziek. Robert van Noorden is de verteller van dit verhaal dat over schuld gaat, en over de vreemde streken die het geheugen ons kan leveren. In het eerste hoofdstuk, getiteld ‘Love me do’, herinnert deze Robert zich een volmaakte zomeravond. Het is mooi weer, er wordt buiten gegeten, in de verte tringelingt de ijscokar en uit het raam van een buurmeisje klinkt ‘Love me do’ van The Beatles.

Ik draai me om en kijk naar ons huis, naar de tuin, de bomen in de tuin, mijn zusjes, mijn ouders, hun vrienden, het leven dat ze met elkaar maken, ik zie het allemaal. Het is meer dan kijken wat ik doe, en ineens voel ik achter mijn neus tranen en ik weet ook dat ze daar blijven en niet over mijn wangen zullen vloeien, maar ze zijn er, en hoewel ik ze allerminst verwacht had op een avond als deze, weet ik wel wat ze betekenen: behalve ontroering om wat er is, om wat ik zie en terwijl ik het zie voor altijd opsla, voel ik ook woede om het moment dat dadelijk komt of morgen of volgende week wanneer dit allemaal voorbij is en het net is alsof het er nooit was en niemand zich nog kan herinneren wat het echt voorstelde.

Kwetsbaar geluk komt in veel romans van Verbogt terug. ‘Daar schrijf ik voortdurend over. Geluk is zo ongrijpbaar en zo onbegrijpelijk. Er wordt vaak naar verkeerd geluk gestreefd. Ik kan straks kijken naar het park tegenover mijn huis. De zon scheert even over iets heen en daar kan ik tranen van in mijn ogen krijgen. Dat duurt een fractie van een seconde. Je voelt even: dit is geluk. Geluk zit niet in geld of succes, maar in dat soort dingen. Zo’n heerlijke zomeravond waarvan je meteen beseft: dit kan niet eeuwig blijven duren, dat is iets dat voor een deel autobiografisch is, dat ik zo intens voelde.’

Heb je een goed geheugen? 
‘Ja. Zoals je bij het horen van een bepaald liedje vaak denkt: hier heb ik voor het eerst op gedanst of gekust, zo kan ik door een kleur ineens het huis van mijn grootouders voor me zien, of de derde klas van de lagere school. En meteen komt dan ook het moment uit die tijd in beweging. Als ik mijn moeder bezoek in mijn oude buurtje kost het me heel weinig moeite terug te gaan in de tijd. Dan zie ik bijvoorbeeld de vrouw van de slager, terwijl die al heel lang dood is. Of de plek waar ik een keer zo hard ben gevallen. In het boek beschrijf ik een klein ongelukje op straat. Daar hoef ik maar heel even over na te denken en ik zie het weer voor me.’

Je kunt je ook goed verplaatsen in kinderen. 
‘Ik heb zelf geen kinderen. Adriaan Morriën zei: volwassenen zijn mislukte kinderen. Daar denk ik wel over na. Het verloren paradijs. Waardoor zijn we dat kwijtgeraakt? Als je dat mechanisme begrijpt, begrijp je ook veel meer van hoe je nu leeft. Van jaloezie, van ambities, van hoe iets wat je gelukkig maakt zich ook tegen je kan keren.’

Je dialogen worden altijd zeer geprezen. Waarom zijn die zo goed?
‘In de periode voordat ik ga schrijven, ben ik bezig de personages in mijn hoofd te leren kennen. Als ik iemand tegenkom in een opvallende jas, vraag ik me af: zou mijn personage zo’n jas dragen? Zo geef ik hem ook een heel eigen taal die voortkomt uit zijn karakter. Als ik bij de slager een ons rosbief haal, denk ik: hoe zou mijn personage dat vragen? Ik denk erover na wat nu zijn voornaamste behoefte is. Bijvoorbeeld een extreme behoefte aan veiligheid. Ik vind dat je dat moet kunnen horen. Ik stel me voor dat ik zo iemand ben en ik gedraag me ook even zo, ook als ik een ons rosbief ga kopen. Dat lijkt een beetje gestoord gedrag, maar zo hoor je op een gegeven moment je personage praten. Ik wil dat taal heel eigen is. 
Dialogen verhogen ook de mate van identificeerbaarheid. Ik wil niet opschrijven: “Ik ben bang, zei hij angstig.” Dat is een extreem voorbeeld, maar ik zeg niet graag dat iemand verlegen is. Ik wil iemand pratend opvoeren zodat jij denkt: goh, wat is die verlegen. Het effect is veel groter en bovendien scheelt het ruimte. Als je een kamer binnenkomt en te horen krijgt: “Dat jij hier bent! Donder jij even heel gauw op!”, dan zegt dat al heel veel. Dat zegt dat er een relatie tussen ons bestaat, daarin is iets misgelopen. Ik had jou niet verwacht en het bevalt me ook helemaal niet dat je er bent. Als ik dat allemaal moet opschrijven ben ik al twee alinea’s verder.’

Een van de personages in je nieuwe roman is een schrijver die veel geprezen wordt, maar ten onrechte onbekend is. Zoals ook tot vervelens toe over jou wordt opgemerkt. Is dit jouw manier om daar mee af te rekenen?
‘Het is geen afrekening, maar er wordt zo vaak gevraagd of ik het erg vind. Wat ik wilde toen ik klein was, was schrijver zijn. Dat is me gelukt. Ik leef al 26 jaar van wat ik schrijf. Ik ben er altijd mee bezig en dat is geen straf, want voor mij is deze manier van leven ideaal. Ik kan in dit huis wonen, ik kan af en toe op reis, ik kan behoorlijk doen wat ik wil. Natuurlijk zou ik het fijn vinden als er tweehonderdduizend verkocht worden van Verdwenen tijd, of als ik een prijs zou krijgen, maar ik lig er niet wakker van als dat niet gebeurt. Ik heb ook nooit enige jaloezie jegens collega’s gevoeld. Bovendien gaat het goed met mijn werk. Eindelijk de zee is vier keer herdrukt. Mijn publiek wordt steeds groter. Dus alles wat er nog moet komen, komt wel. En er komt nog heel veel. Dat vind ik het enige lastige van het ouder worden, dat je minder tijd hebt om al die dingen te doen die je nog wilt doen. Niet dat ik al die verhalen al weet, maar ik heb er zo’n zin in voortdurend.’

Schrijven is voor jou geen worsteling?
‘Nee! Af en toe zit ik in zo’n forum en dan zegt een collega: schrijven is de hel. Dan denk ik: de hel?! Ga dan iets anders doen! Waarom zou je daar voor kiezen?’

Thomas Verbogt: Verdwenen tijd (Nieuw Amsterdam)