Pulpfictie

Dirk-Jan Arensman ,

De verhalen van P.F. Thomése waarin zijn (niet-imaginaire) vriend ‘J. Kessels’ figureert waren altijd succesnummers bij voorleesavonden. Maar waar bleef die roman?

Er is natuurlijk niks tegen de madeleines  van Marcel Proust, maar als P.F. Thomése  scènes uit zijn jeugd wil oproepen, gaat er  niets boven de echo van Dave Berry die ‘This  Strange Effect’ zingt en de geur van niet-zo-vers  frituurvet. Dan staat hij zo weer in Zaltbommel:  ‘In zo’n Wim T. Schippers-cafetaria waar de nozems  en vetkuiven kwamen; afschrikwekkende  figuren met ordinaire, een beetje hoerige dorpsmeiden  in veel te strakke truitjes. Er stond een  flipperkast en een jukebox waar ook altijd van die kermismuziek uit kwam: Dave Berry of Elvis  met ‘Suspicious Minds’, waarvan de galm in die  wit betegelde ruimte alleen maar holler klonk.’  Of dat je op een verwaaid perron voor de luikjes  van de automatiek stond en je schaarse zakgeld  in je zak voelde branden. ‘Zo’n warme frikadel  op een koud perron… En dat er gemalen koeienogen  in zaten wist je nog niet.’ 
De schrijver lacht. Het zijn dingen die hij nu wel  eens kan missen, terwijl hij tegelijkertijd liever  doodgaat dan weer in dat gat te wonen. Het is  verlangen als in countryliedjes: ‘Die gaan altijd  over ergens weg willen komen – zo ver mogelijk  weg van een liefde, een treurig leven, een ellendig  baantje – en daar dan vervolgens hevig naar  gaan zitten terugverlangen. Maar ondertussen  zit die artiest ze wel met een schoongewassen  shirt en een vrolijk hoofd te zingen. Dat bedrog  zit er altijd in: als hij die emoties allemaal echt  voelde, was hij nog steeds in tranen.’ 
Zo bezien is zijn nieuwe roman eigenlijk ook  een countrysong. Een liedje dat op J. Kessels: The  Soundtrack had kunnen staan, ergens tussen  Willie Nelsons ‘On the Road Again’ en ‘Crying  Time’ van Buck Owens, en waar je naar had kunnen  luisteren terwijl je je zoveelste sigaret uitdrukte  in je J. Kessels-asbak. (Die dingen bestaan  namelijk, als vrolijk promotiemateriaal bij het  boek waar we het hier over hebben: J. Kessels:  The Novel.) Maar je zult om deze dik tweehonderd  pagina’s vooral huilen van het lachen. Omdat  het een liefdevol hilarische parodie is op  hardgekookte helden als Charles Bukowski’s  Hank Chinaski, Hunter S. Thompson en de romantiek  van Jack Kerouac, die druipt van de vette  oneliners. Omdat je erin wordt meegevoerd  van de Cafetaria Van Vroeger naar de ‘kutstank’  van de Hamburgse Reeperbahn en terug, en onderweg  Duitse clichés als ‘nazi’s met herdershonden,  slecht voetbal en naaktloperij’ voorbij  ziet trekken. En omdat het een hernieuwde kennismaking  is met Thoméses favoriete reisgenoot  én personage.

Sfeermakertjes 
Hij schrijft al verhalen over hem zolang hij publiceert. Verhalen voor (HP/)De Tijd of bloemlezingen,  waarin hij en J. Kessels meestal naar plekken als New Orleans, of Nashville trokken, de muziek achterna waar ze beiden van houden. Ze werden gebundeld in Greatest Hits (2001) en waren altijd succesnummers bij voorleesavonden.  Leuke ‘sfeermakertjes’, dacht hij, meer niet. Maar toen hij tijdens een theatertournee met  het literaire voetbaltijdschrift Hard Gras de zalen alwéér plat kreeg met een nieuwe Kesselssaga,  ‘Schwere Stunden in Sankt-Pauli’, verklaarden collega’s als Herman Koch, Henk Spaan en  Anna Enquist hem voor gek. Waar bleef die roman? 
‘Toen ging ik dat, terwijl ik eigenlijk al met een  ander boek bezig was, toch maar eens proberen. In één ochtend had ik de eerste twee hoofdstukken  en binnen een week de helft van het eerste deel. Dan ga je toch denken aan die krachtpatserverhalen  die in de literatuur altijd de ronde doen: Simenon die in drie weken een roman schreef of Kerouac die On the Road op een behangrol tikte, omdat hij zogenaamd geen tijd had om het papier uit zijn schrijfmachine te  trekken.’ 
Het snel geschreven J. Kessels: The Novel kostte hem uiteindelijk veertien weken, waarin de kolderieke  slapstickplot het probleem niet was: ‘De nieuwsgierigheid vasthouden is niet anders dan iets niet vertellen wat je lezers willen weten. Ze een worst – of frikadel – voorhouden. Of dat nou een lijk of een lekker wijf is, dat maakt niet uit.’ 
In dit geval krijg je ze allebei. Het lekkere wijf is Birgit, de (ooit) bloedhete dochter van de Zaltbommelse cafetariahouder De Braaij; het lijk krijgt het duo in de maag gesplitst als ze, in opdracht van haar broer Bertje, als gemankeerde detectives op zoek gaan naar diens in Hamburg verdwenen ‘kutzwager’.

Avonturier
Geestig. Erg geestig zelfs. Maar het ging de schrijver, zoals altijd, vooral om de sound en dubbele bodems. Om de beperkte houdbaarheid van verlangen en het levensgevoel dat hij hier eert en bespot. ‘Ik heb altijd een sterke hang gehad naar die rauwe Americana van Bukowski, outlaw countrymannen of de films van Jack Nicholson. Iedereen denkt wel eens: zo ben ik eígenlijk. Ik zit hier nou wel gewoon op een fiets met fietstassen mijn kinderen naar de crèche te brengen, maar deep down schuilt er een ruige avonturier in me.’ Op zijn negentiende wou hij nog dat hij een Amerikaan was. ‘En ik had nog niet door dat iemand als Bukowski zichzelf, als beheerder van zijn eigen mythe, aan moesten zetten zodra de camera liep. Dat hij, ook als hij geen dorst had, toch moest zorgen dat hij een blikje bier in zijn handen had als er een interviewer langskwam.’ Inmiddels heeft Thomése in boeken als Fear and Loathing in Las Vegas gewoond, ze uitgewoond en is hij verdergegaan. ‘Het heeft iets infantiels om een held te koesteren, en als schrij ver ben je niet infantiel. Ik in elk geval niet. Maar het blijft leuk om ermee te spelen.’
Zeker als je daarbij je eigen Neal Cassady voor handen hebt. Want ja, zijn kettingrokende, country draaiende niemand-maakt-mij-wat partner in crime uit de verhalen bestaat écht. Min of meer. Hij is strak gemodelleerd naar zijn vriend Jos Kessels, die hij ontmoette op de redactie van Het Nieuwsblad van het Zuiden waar ze jaren geleden beiden werkten. ‘Niet alles wat ik beschrijf is natuurlijk zo gedaan of gezegd, maar hij had het allemaal kúnnen doen of zeggen. In een vroeg verhaal schreef ik hem ooit een postzegelverzameling “België compleet” toe. Nou, daar was hij niet tevreden over, want het moest “De Britse Koloniën bíjna compleet” zijn. Er bleek een of andere zegel van een Zuiderzee-eiland te zijn die heel moeilijk te krijgen was.’

Verkeerde bus
Dat werd dus rechtgezet in de volgende druk. En de roman heeft de echte Kessels vanzelfsprekend vooraf te lezen gekregen, want als lokaal nog steeds ‘karakteristiek figuur’ en columnist van het Eindhovens Dagblad gaat hij er zeker op aangesproken worden.
‘In die krant heb ik nu ook een stuk, een soort making of…, geschreven, waarin ik hem typeer als een Texaan die in de verkeerde bus is gestapt en in Tilburg terecht is gekomen. “Volkomen misplaatst, maar niet meer van zijn plaats te krijgen.” Hij is iemand die zelf zijn eigen anekdote is geworden. Aan de ene kant heeft hij de durf gehad te besluiten: dit ben ik – een stripfiguur in klare lijn – en daar doe ik het mee. Maar hij is ook vergroeid geraakt met zijn eigen pose. Zelfs zal hij het niet graag zo zien, maar het maakt hem wel tot een geweldig personage. Je kunt hem overal inzetten. En ik ben ook zeker van plan sequels te gaan schrijven.’ Misschien wel als krantenfeuilleton in de negentiende- eeuwse traditie waaruit de roman ontstond. Want dat J. Kessels: The Novel vanaf de avond van het boekenbal in z’n geheel in nrc.next werd gepubliceerd, beviel hem zeer. ‘Het is ook een soort pulp fictie, geschreven voor een groot publiek dat je zo kunt bereiken. Als een wasmiddel zich had gemeld, had ik het misschien ook nog wel gedaan.’
Hij glimlacht breed. ‘Ik overweeg voor het vervolg elk redelijk aanbod.’

P.F. Thomése: J. Kessels: The Novel (Contact)