Samenleven op het scherpst van de snede

Hans van Wetering ,

Wie stiekem nog hoopte dat het met de multiculturele samenleving vanzelf goed zou komen weet na lezen van 'Afri – leven in een migrantenwijk' wel beter.

Journaliste Jutta Chorus liep anderhalf jaar rond in de Afrikaanderwijk in Rotterdam, een van die prachtwijken waar het percentage allochtonen meer dan tachtig procent of meer bedraagt en volgde daar een Turkse, een Marokkaanse en een Nederlandse familie. Ze zit aan bij familieberaad, gaat op pad met de wijkagenten en noteert, het opschrijfboekje in de hand, wat wordt gezegd. Het resultaat is een ontluisterend inkijkje in het leven aan de onderkant. Binnen de Turkse en Marokkaanse families in Afri heeft vrijwel iedereen een uitkering. Studie of school worden zelden afgemaakt. Geweld en bedreiging – binnen families, tegenover buren of politie – zijn de gewoonste zaak van de wereld. Tony Montana [de door Al Pacino neergezette maffioos uit Scarface, 1983 –red.] is voor velen het rolmodel. De twintig procent autochtonen intussen die nooit uit Afri vertrokken, zijn ziek of gaan gebukt onder psychische stoornissen. Dalrymple in de polder kortom – Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt?
Jutta Chorus: ‘Er staat natuurlijk veel ellende in, veel onvermogen van mensen, maar ik heb ook sprankjes hoop gezien. Ik weet niet of het genoeg is. Sommige mensen in het boek ontworstelen zich aan de sociale controle van hun familie, zorgen dat ze een goede opleiding krijgen, maken carrière. Daar is veel moed voor nodig. Hetzelfde geldt voor de politieagenten, de wijkagenten. Die mensen hebben echt effect. In de bloei van hun leven investeren ze lange jaren in zo’n wijk, geven daarbij een deel van hun privé-leven op. Ze doen alles om die jongens bij de samenleving te betrekken; ze straffen wanneer het moet, ze stimuleren waar mogelijk, en ze geven ook echt kansen; kansen die soms worden gegrepen.

Opmerkelijk is dat de koran en het geloof vrijwel geen rol lijken te spelen.
‘Ik heb me daar zelf ook over verbaasd. Die straatjongens gingen nauwelijks naar de moskee. In de moskee op het plein kwamen vooral oudere mannen. Ook tijdens de Ramadan bleven de meeste jongens gewoon thuis. De sociale controle en dwang binnen families is veel belangrijker. Schaamte en eer bepalen het handelen. Zeker voor die eerste generatie. De tweede generatie lijdt daaronder.’

Maar die tweede generatie doet toch ondertussen vrolijk mee? In het boek is de pas 24-jarige Osman de pater familias van de Turkse familie. Hij is het die bepaalt hoe de vrouwen in de familie zich moeten gedragen, of zijn zus mag trouwen.
‘Ze doen er aan mee, maar dat neemt nog niet weg dat je er niet door beschadigd kan zijn. Het is onvermogen. Wie er afstand van neemt, riskeert een  breuk met de familie. Daar is grote moed voor nodig. Je goede naam staat op het spel. Eer is alles.’

Hoe kwam je eigenlijk bij deze families terecht?
‘Ik had twee eisen; ik wilde namen kunnen gebruiken, en ik wilde de mensen kunnen laten zien zoals ze echt leven. Het kost nogal wat tijd om geschikte families te vinden. De eerste familie die ik vond, bleek na drie afspraken eigenlijk wel zo’n beetje uitgepraat. Een andere familie wilde niet met hun naam in het boek. Bij de Turkse familie die uiteindelijk in het boek kwam, had ik ook het geluk dat een van de jongens, Osman, precies op het moment dat ik met mijn onderzoek begon een snackbar opende midden op het plein. Die hele familie zat daar de hele dag. Osmans vrienden kwamen er aangelopen, zo raakte ik overal binnen.’

Ben je later nog teruggegaan? Waren ze blij met je boek? De mensen in je boek geven zich nogal bloot.
‘Ik kom er nog steeds, maar zonder opschrijfboekje. En nadat het boek uitkwam ben ik gelijk met een stapel boeken de wijk in gegaan. Dat was niet gemakkelijk. Die jongens op straat schamen zich toch ook een beetje voor het uitzichtloze in het boek. De publicatie zelf ging me evenmin licht af, al stonden die families er achter, en wisten ze wat er in het boek stond. De reacties waren uiteindelijk vooral positief, zo van: eindelijk wordt er ook over Rotterdam-Zuid geschreven, voor het eerst wordt het leed tenminste zichtbaar. De werkelijkheid wordt niet genoeg gekend. Dat is het probleem.
Daar stoor ik me aan; aan die politieke impasse in Nederland, waarin rechts steeds rechtser wordt en links blijft hangen in politiek correcte standpunten, terwijl intussen gewoon nog onvoldoende bekend is wat er bij de mensen thuis achter de voordeur plaatsvindt. En dat zou toch het begin moeten zijn; dat je weet waar je het over hebt voordat je aan oplossingen begint te denken. Het zou mooi zijn als dit boek daar een kleine bijdrage aan levert.’