Schepper van ontroerende losers

Dirk-Jan Arensman ,

Net als Edward Hopper weet Richard Yates (1926-1992) in zijn werk een sfeer op te roepen van melancholie, eenzaamheid en vergeefsheid. Postuum krijgt hij alsnog waardering.

Het gebruikte beeld is afkomstig uit de Advertising Archives, blijkt uit de kleine lettertjes op de achterflap. Een vrouw in een geel gekante jurk tegen een donkerblauwe achtergrond. De mond felrood, het haar – iets minder rood – in een krultangig jaren veertigkapsel, terwijl haar handen elkaar innig vasthouden bij haar hals. Bevallig, op een ouderwetse manier, maar ook minstens zo dromerig als haar blik, gericht op het verre niets voorbij je rechterschouder.
Van alle tien de omslagen van het volledige werk van de Amerikaanse schrijver Richard Yates (1926- 1992) dat in 2008 in Britse pockets in de boekhandel verscheen, is het omslag van Cold Spring Harbor (1986) waarschijnlijk het mooist en zéker het treffendst. Al was het maar omdat dit portret van fascinerende eenzaamheid, het meest aan de schilderijen van Edward Hopper doet denken. En Richard Yates en Edward Hopper, dat is een associatie die klopt als een bus. Klopt, zoals de ‘auteursnaam’ op die pocket klopt. Vanwege de reeks waarin de heruitgaven verschenen staat ook op het omslag van zijn allerlaatste roman namelijk niet Richard maar Vintage Yates. En vintage Yates is Cold Spring Harbor, dat later deze maand in een Nederlandse vertaling verschijnt,zonder enige twijfel. Waarover later meer. Eerst die associatie en waarom die zo klopt.
Twee maanden geleden publiceerde Joost Zwagerman in Vrij Nederland, naar aanleiding van de tentoonstelling Modern Life. Edward Hopper and His Time in de Rotterdamse Kunsthal, een korte, lyrische beschouwing over de aanhoudende magie van diens doeken. Over hoe verwijzingen naar zijn verfuniversum opdoken in films als Psycho, Road to Perdition en American Beauty of de bejubelde serie Mad Men. En over de vraag waarom zijn werk zo mijlenver uitstijgt boven dat van zijn schilderende tijdgenoten.

Verdooldheid
‘Doordat hij als geen ander de ziel van het twintigste-eeuwse Amerika wist te vangen,’ luidt Zwagermans antwoord. ‘We zien het interieur van een luxetrein, een hotelkamer of een bar – en of zich daar nu één, twee of meerdere mensen bevinden, altijd verspreiden die figuren een sfeer van verdooldheid, melancholie, eenzaamheid, stille dreiging, vergeefsheid.’ Kortom: het onbehagen van suburbia in beeld gebracht. Nu zijn er in de Amerikaanse letteren wel meer auteurs geweest die een claim op dat buitenwijkterritorium kunnen doen gelden. John Cheever, uiteraard. Of John Updike met zijn meesterlijke verhalen rond Richard en Joan Maples. Maar op geen oeuvre of loopbaan lijkt bovenstaande typering zó volledig van toepassing als op oeuvre en loopbaan van Richard Yates.
Wat is er, om maar wat te noemen, eenzamer en vergeefser dan een groot schrijver die niet of nauwelijks wordt gelezen? Want, ja, Yates werd bij zijn debuut met Revolutionary Road, dat in 1961 direct samen met Catch-22, Franny and Zooey en The Moviegoer werd genomineerd voor de National Book Award, binnengehaald als een literaire stem van betekenis. En voor bijna al zijn werk daarna – van de briljante verhalenbundel Eleven Kinds of Loneliness (1962) tot The Easter Parade (1976) of Liars in Love (1981) – werd hij meestal met lof overladen door critici en beroemdere collega’s als Kurt Vonnegut, Tennessee Williams, Dorothy Parker en Richard Ford.
Maar dat die laatste ooit schreef dat het noemen van zijn naam onder schrijvers en bewonderaars ‘een soort geheime handdruk van culturele geletterdheid’ was, zegt genoeg. Yates hád zijn fans. Maar buiten dat zeer beperkte kringetje kocht geen mens zijn boeken. En toen de ‘writers’ writer’ in 1992 overleed – niet eens ten gevolge van zijn nicotinedieet van vier pakjes sigaretten per dag of de gigantische hoeveelheden alcohol die hij dagelijks achteroversloeg, maar aan complicaties bij een onbenullige herniaoperatie – was zelfs zijn meest recente werk binnen de kortste keren zelfs niet meer te krijgen.
Het was onbegrijpelijk tragisch geweest als dat zo was gebleven. En als lezers mogen we Stewart O’Nan dankbaar zijn dat hij in 1999 een artikel over dat literaire onrecht schreef in The Boston Review – ‘The Lost World of Richard Yates. How the great writer of the Age of Anxiety disappeared from print.’ –, dat een kettingreactie van herwaardering veroorzaakte. Nog geen twee jaar na O’Nans pleidooi werd Revolutionary Road in Amerika opnieuw uitgegeven en deed vertaalster Marijke Emeis een fragment eruit in literair tijdschrift Bunker Hill vergezeld gaan van een voorwoord dat afsloot met de dappere oproep: ‘Welke Nederlandse uitgever durft?’ In 2003 verscheen haar vertaling inderdaad en zag de biografie A Tragic Honesty van Blake Bailey het licht. En vorig jaar was er Sam Mendes’ verfilming van zijn debuut, met Leonardo DiCaprio en Kate Winslet, om de Yatesrevival compleet te maken.
Prachtig. Zeker.
Maar op een wat goedkope, zwart-romantische manier zou je het ook jammer kunnen noemen. Omdat Yates daardoor, ruim tien jaar na zijn dood, plotseling zelf niet meer binnen het wereldbeeld paste dat hij telkens weer in dat schitterende, tijdloze proza van hem schetste. Want al is er in zijn oeuvre rijke variatie genoeg, er zijn ook opvallend veel constanten. Huwelijken waar langzaam de klad in komt, zoals in dat van Frank en April Wheeler in Revolutionary Road. De beklemming van het burgerlijke gezinsleven, de verstikkende sfeer van een rijtjesbestaan in rijtjeshuizen. Het gevoel ook dat ieder mens uiteindelijk hopeloos en ongeneeslijk alleen is. En misschien wel bovenal die drang van zijn personages om méér te willen zijn, hoger te willen reiken; iets te willen presteren dat ze misschien niet meteen kunnen benoemen, maar dat hen in de ogen van henzelf of anderen succesvol zal maken. Geslaagd.
Ze dromen er zonder uitzondering van. Weten zeker dat hun meer toekomt dan ze krijgen. En zonder uitzondering lopen die dromen vast in domme pech, foute beslissingen of de angst die we graag ‘praktische bezwaren’ noemen.

Meisjesachtig
Al die dingen kom je al tegen in Yates’ debuut, en in zijn zwanenzang Cold Spring Harbor opnieuw. Dat begint al met de gesmoorde aspiraties van Charles Shepard, een oud-militair die nog steeds lijdt onder het feit dat hij de Eerste Wereldoorlog ‘gemist’ heeft en nu, begin jaren veertig, moet zorgen voor zijn semi-invalide echtgenote. Maar ze spelen een nog grotere rol in het bestaan van zijn zoon, Evan. Die heeft, begin twintig, weliswaar al een getroebleerde jeugd en een gestrand huwelijk achter de rug, maar de toekomst ziet er zonnig uit. Hij wil alsnog gaan studeren, misschien wel strijden tegen de nazi’s in Europa, iemand worden in de wereld. Ook nadat hij bij toeval de lieve, meisjesachtige Rachel heeft ontmoet. Maar dan raakt Rachel zwanger. Er moet getrouwd, geld verdiend. En voor hij het weet zit Evan gevangen in precies het soort onbeduidende leven dat hij nooit wilde leiden.
Deze compacte roman is een echte Yates. Dat zit hem niet alleen in die vaste thema’s of in zijn smetteloze, verbijsterend natuurlijke vertelstijl. Het heeft ook alles te maken met de manier waarop hij die droevige levens in je verbeelding tot leven wekt. Van Evan tot Rachel of de hartverscheurend behoeftige schoonmoeder Gloria, ze zijn doodgewoon, breekbaar en nietig. Maar hij toont ze vol mededogen, maakt mensen van hen in wie je je verplaatst en soms, met een ongemakkelijk gevoel in herkent. Hij schildert hun portret kortom met hetzelfde palet dat Hopper gebruikte. Of, zoals Zwagerman over Hopper schreef: ‘Iemand heeft ons gezien, écht gezien.’ Toch goed dat de schepper van de ontroerende losers in Cold Spring Harbor postuum alsnog zijn succesverhaal kreeg.