De emoties van Maarten ’t Hart

Ilse van der Velden ,

In de VPRO Gids spreken de Zomergasten van 2010 zich uit over emoties. Zo ook Maarten ’t Hart.

Woede
‘Niet over de wereld, maar over klein onrecht kan ik me boos maken. Onrecht in de wereld, dat had ik al jong door, kun je beter tegemoet treden door goed na te denken en met goede argumenten te komen. Woede zit niet zo in mijn aard. Mijn vader kon ontzettend kwaad worden, ik schrok daar altijd vreselijk van. Daardoor heb ik het wel afgeleerd. Woede is geen goede emotie om vanuit te handelen, koel en rationeel nadenken is veel beter. Kwaad worden is ook ontzettend ongezond. Mijn vader heeft het met de dood moeten bekopen, want die kreeg een hartaanval in een boze bui.
Ik maak me zelden kwaad en als het gebeurt, zijn het altijd kleine dingetjes. Een treinkaartje dat je wel hebt gekocht terwijl de trein niet rijdt en dat je geld terugkrijgen dan niet lukt. Meestal heeft het met geld te maken.
Voor een schrijver zijn woede en rancune heel slechte drijfveren. Ik heb ooit eens uit wraak een boek geschreven, Het uur tussen hond en wolf, en daar heb ik nog steeds spijt van. Dat had ook met geld te maken, trouwens.’

Verdriet
‘Dat ik de rode ballon per ongeluk losliet, o wat gaf dat een verdriet. Ik was een jaar of vier en de rode ballon was het mooiste dat ik ooit had gekregen. Ik kreeg nooit wat, er was geen geld. Ook niet met mijn verjaardag. Op een dag waren er van die met helium gevulde ballonnen te koop en waarom weet ik niet, maar mijn vader kocht er zomaar een en ik kreeg hem. En ik liet hem los, en zag hem tussen de huizen door opstijgen en verdwijnen.
Het ergste verdriet dat ik ooit heb meegemaakt was de dood van het vorige hondje. Het kwam volkomen onverwacht. Als ik een toptien maak van alle verdriet in mijn leven staat dat bovenaan, zelfs boven de dood van mijn vader. Hoewel ik dat ook erg vond. Wat ik vooral mis zijn zijn verhalen; hij kon ontzettend leuk vertellen. Ik heb het van geen vreemde. Humoristisch, maar ook kwaadaardig en een beetje verknipt. Een lieve man was het niet, zegt mijn vrouw altijd.
Verdriet is een emotie die niet zoveel oplevert. Je kunt het niet omzetten in iets anders, in boeken of verhalen. Het pure verdriet van het verlies van zo’n hondje is te persoonlijk voor lezers om zich er in te kunnen herkennen en het zou ook melodramatisch worden als je dat opschrijft.’

Angst
‘Mijn vader was nergens bang voor, ik overal. Ik ben bang voor ziektes, bang om in het ziekenhuis te geraken. Ik ben ook wel bang om op reis te gaan. Je hebt geen greep meer op alles. Als ik onderweg ben voel ik elke vijf minuten of mijn paspoort er nog zit. Het angstigste moment in mijn leven was toen ik in de Alpen tijdens een afdaling in een schoorsteenachtige kloof van de schuine helling afgleed, waar aan het einde de afgrond wachtte. Ik bleef haken aan een rotspunt, medewandelaars hebben me toen losgehaald. De echte angst komt eigenlijk pas achteraf. Ik lag te schudden in mijn bed van angst ’s nachts.
Angst zie je niet alleen bij mensen maar in het hele dierenrijk. Het is de eerste, primaire emotie. Angst is heel nuttig. Ik laat me voortdurend leiden door angst. Door niet op reis te gaan en thuis te blijven, bijvoorbeeld. Ik kan daar goed mee leven, maar niet iedereen in mijn omgeving is daar even gelukkig mee. Ik durf ook heel veel dingen wel. Ik durf boeken te publiceren, ik durf voor volle zalen te spreken en ik durf me ook best bloot te geven in die boeken.’

Vreugde
‘Er zijn zoveel leuke dingen, zelfs als je 65 bent zoals ik. Een prachtig boek lezen, hele goede muziek en vooral het zelf spelen daarvan, zijn een bron van ongelooflijk veel plezier en vreugde. Als het lukt om een moeilijk muziekstuk uit het hoofd te spelen, is dat het allerleukste wat er is.
Het leven is vreugdevol, als er geen calamiteiten zijn, zoals gebroken benen. Ik kwam toen in het ziekenhuis terecht en kon helemaal niet slapen, vreselijk. Hoewel het daar op zich ook leuk was, ik heb erg gelachen met de broeders daar die ’s nachts aan m’n bed verschenen. Ik moest enorm nodig plassen en hij kwam meteen met een urinaal dat ik helemaal volplaste. Waarop de broeder tegen een andere broeder zei: “Nou zie je wat ze bedoelen als ze het over een oude zeikerd hebben”. Het meest vreugdevolle moment uit mijn carrière beleefde ik in Leipzig, waar ik een lezing moest houden. Ik had geen idee dat ik daar zo populair was. Eenmaal in de stad kon ik de zaal niet vinden waar ik moest zijn en al dwalend door de straten begonnen de mensen, die zelf ook op weg waren naar de lezing, me te herkennen. Ze scandeerden mijn naam: “Maarten ’t Hart, Maarten ’t Hart!” klonk het. Steeds meer mensen sloten zich bij mij aan, en als een rattenvanger van Hamelen liep ik door Leipzig. Het was bij een kerk, en ik geloof dat ik er drie rondjes omheen heb gelopen. De mensen bleven gewoon achter me aan lopen.’

Verwachting
‘Ik verwachtte dat ik zou schrijven voor een heel klein publiek. Ik had absoluut nooit kunnen dromen dat ik zoveel lezers zou krijgen. Dat is heel erg meegevallen en in zekere zin ook tegengevallen: ik dacht dat ik een echte literaire schrijver zou worden maar ik werd een verhalenverteller voor een groot publiek. Ik dacht ook niet dat het in andere landen zo zou aanslaan, het is oer- en oer-Hollands wat ik schrijf. Maar naar het schijnt bestaat er grote heimwee naar een ouderwetse verhalenverteller.
Ik vind dat ik nog een echt meesterwerk moet schrijven. ’t Mogen ook meerdere meesterwerken zijn natuurlijk. Maar één is voldoende. Fontane schreef, drie jaar voor zijn dood, op zijn 76ste Effi Briest. Het kan, al zijn er niet veel voorbeelden van schrijvers die hun beste werk na hun 65-ste hebben gemaakt. Eerst moet ik een goed idee hebben. Dat komt, daar heb ik alle vertrouwen in. Ik heb altijd op enig moment een goed idee gekregen. Het zou kunnen gaan over de Tweede Wereldoorlog, over de scheuring in de Gereformeerde Kerk die toen in 1944 heeft plaatsgevonden, waaruit toen de Vrijgemaakt gereformeerden zijn ontstaan. Terwijl de hele wereld zich druk maakte om de oorlog, hield men zich in de kerk bezig met de vraag of er tijdens de kinderdoop al dan niet sprake was van wedergeboorte. Dat heb ik altijd zoiets wonderlijks gevonden.’

Hoop
‘Het hele leven wordt geleid vanuit hoop, iets waar je naar uitkijkt, waar je naar toeleeft. Als er geen hoop meer is, is er geen leven. De Duitse filosoof Ernst Bloch stelde hoop zelfs centraal in zijn filosofie, vandaar dat de titel van zijn belangrijkste werk, driedelig nog wel, luidt: Das Prinzip Hoffnung. Hoop zit voor mij primair in dat meesterwerk dat er nog moet komen. “Ik hoop te mogen hopen op het vers,” zoals Achterberg schreef. De hoop dat ik ooit nog eens echt een hele goede organist zou worden, heb ik moeten laten varen toen ik een jaar of vijftig was. Ik zag dat ik niet genoeg talent had. Naarmate je ouder wordt stel je je ambities wat bij. Dat heeft ook wel iets rustigs.’