De geschiedenis van Henry Smart

Dirk-Jan Arensman ,

'De dode republiek' is het slotdeel van Roddy Doyle’s ambitieuze trilogie waarin het personage Henry Smart voortdurend het pad van grote historische figuren kruist en een halve eeuw geschiedenis van zijn land verpersoonlijkt.

Het is 1951 als we hem in The Dead Republic, de nieuwe roman van Roddy Doyle (1958) en het slotdeel van diens ambitieuze trilogie The Last Roundup, weer ontmoeten. Vijf jaar nadat hij besloot in de blakerende zon van de Utah-woestijn op zijn naderende dood te gaan liggen wachten en filmster Henry Fonda hem wakker piste. Fonda leegde zijn blaas tussen twee takes van de western My Darling Clementine, de verteller ontmoette de regisseur, John Ford, en daarmee nam zijn leven voor de zoveelste keer een verrassende wending. ‘Hij zou een film van mijn leven maken,’ vertelt hij je aan het eind van het eerste hoofdstuk.
‘Daarom zat ik daar nu, in Ierland, tegen een stenen muur. Ik herinnerde het me als snelle pijn, als de woede die mijn echte bloed was. Ik herinnerde me de beslissing: ik zou naar huis gaan. Ik zou naar huis gaan en mijn verhaal vertellen. Ik was een oude man – de kogels en rouw hadden me ingehaald –, maar ik voelde me fris en nieuw. We schudden elkaar de hand. Ford was ook een oude man; hij begreep het. Ik keek op naar de zwartblauwe hemel, naar de dode en dwalende sterren, en ik schreeuwde: “Mijn naam is Henry Smart!”’ Hij is opgestaan uit de dood, klaar om zijn legende in eigen hand te nemen en op celluloid vast te laten leggen. Maar dat het zo makkelijk ook dit keer niet zal gaan, is een alinea later al duidelijk. Smart staat op, en weet wat hem te doen staat: ‘Ik ging Henry Ford vermoorden.’
Dat het leven van dit larger than lifepersonage tot dan toe genoeg stof heeft opgeleverd voor minstens twee epische films, dat lijdt voor wie zijn belevenissen in A Star Called Henry (1999) en Oh, Play That Thing (2004) las geen enkele twijfel.

Don Juan-met-een-missie
In het briljante eerste deel groeide het in 1902 in de sloppenwijken van Dublin geboren joch in no time uit tot een Ierse vrijheidsstrijder van formaat. Hij dook op zijn veertiende al op aan de zijde van Michael Collins bij de beroemde Paasopstand in het General Post Office, en vocht daarna jarenlang voor de goede zaak van de ira, met het houten been van zijn vader als vertrouwd slagwapen en zijn geliefde ‘Onze Vrouwe van het Machinegeweer’ Missis O’Shea aan zijn zijde. Een rebel, een huurmoordenaar en een opvallend lenige Don Juan-met-eenmissie. Tot zijn oude kameraden besloten dat hij, ten onrechte aangewezen als verrader, zelf uit de weg geruimd moest worden en Smart op zijn twintigste via Engeland naar Amerika moest vluchten. De jaren daar werden beschreven in het swingende Oh, Play That Thing, waarin Henry, na de nodige geestige omzwervingen in New York, in Chicago de manager van Louis Armstrong werd, en zich vol over-gave in de roaring twenties van jazz, gangsters en gangstermeisjes stortte. Hij werd tegen de muur gezet door op hem jagende iramannen en voor executie behoed door zijn plotseling weer opgedoken echtgenote. Hij zwierf met haar en hun zoontje en dochter door het Amerika van de Grote Depressie en raakte hen kwijt toen hij de kleine Séamus, uitgegleden bij het op een vrachttrein springen, redde maar zelf een been verloor en achterbleef. Hij zocht eindeloos en tevergeefs naar zijn gezin. Om het uiteindelijk dus op te geven, daar in die woestijn waar Ford hem vond.
Een verhaal als een achtbaanrit was het, met in de hoofdrol een man die, als een Ierse Zelig voortdurend het pad van grote historische figuren kruisend, een halve eeuw geschiedenis van zijn land verpersoonlijkte. Maar, blijkt in het eerste deel van De dode republiek en daarna, juist daardoor ook een verhaal dat zich bij uitstek leent voor verdraaiing, misbruik en valse mythevorming.

Paasopstand
In de eerste (en helaas niet meest overtuigende) 130 pagina’s van het boek, neemt Doyle uitgebreid de tijd voor de strijd tussen Ford en Smart, die de regisseur in de arm heeft genomen als ‘ira-consultant’ annex medescriptschrijver. Zijn plannen zijn aanvankelijk groots en meeslepend: John Wayne moet Henry spelen in diens eigen leven. Dit wordt dé klassieker over de Ierse vrijheidsstrijd. Maar terwijl de vergaderingen en schrijfsessies elkaar opvolgen, gebeurt het onvermijdelijke. Steeds meer scherpe kantjes worden van de geschiedenis gevijld, tot er een mierzoet Iers-Amerikaans Hollywoodsprookje overblijft. Verrassend? Niet echt. Al begrijp je in de loop van het tweede deel wel steeds beter waarom de schrijver die travestie zo uitspint. Flash forward naar de jaren zeventig, als Henry eindelijk wat rust lijkt te hebben gevonden in een dorpje buiten Dublin. Eerst als tuinman en later als conciërge van de plaatselijke jongensschool leidt hij een anoniem bestaan van kleine genoegens. In het bed van de weduwe voor wie hij de plantjes verzorgt, bijvoorbeeld.
Maar als hij slachtoffer wordt van een bomaanslag en in een krantenartikel zijn rol in de Paasopstand aan het licht komt, wordt Smart toch weer door zijn verleden ingehaald. De afgescheiden hardliners van The Provisional ira kapen hem (letterlijk) als het levende symbool van hun strijd, terwijl agenten van de inlichtingendienst hem in een rol als informant dwingen.

Valse verhalen
Hij staat, kortom, weer middenin het oog van de historische storm. Die stormt waait in het tweede deel van De dode republiek wel erg hard, dat is waar. Van de troubles en de komst van Margaret Thatcher als ideaal monster om de gruwelijkste strijdmethoden mee te rechtvaardigen tot Gerry Adams en het aarzelende begin van het vredesproces, ze schieten allemaal zo snel voorbij, dat je zou willen dat Doyle zichzelf nog een vierde Henry Smart-boek had toegestaan. Tegen het eind stapelen de toevalligheden zich zelfs voor dit personage wel erg op, en de terugkeer van Missis O’Shea als comapatiënte wordt nergens zo ontroerend als die had kunnen zijn.
Maar al maakt het slotdeel een wat afgeraffelde indruk, de trilogie als geheel is er nauwelijks minder indrukwekkend om. En de boodschap niet minder duidelijk: Ierland is volgens Doyle een natie die een eeuw lang verstrikt heeft gezeten in zijn eigen politieke en culturele mythes, in valse verhalen over wat het betekent om Iers te zijn en strijdende partijen die heldenepossen schiepen om er zelf beter van te worden. Tot een held als Henry Smart zijn eigen leven niet meer herkent.

Roddy Doyle: De dode republiek (oorspr. The Dead Republic, vertaling Miebeth van Horn, uitgever Nijgh & Van Ditmar)