De verhalen zoals hij ze had bedoeld

Dirk-Jan Arensman ,

Onder de titel 'Beginners' verschijnen twee versies van 'What We Talk About When We Talk About Love' van Raymond Carver in één band. De lezer kan eindelijk zelf vergelijken: voor en na de enorme ingrepen van redacteur Gordon Lish.

Het was de vroege ochtend van 8 juli 1980, zeven maanden voor zijn tweede verhalenbundel, What We Talk About When We Talk About Love, zou verschijnen. Zijn doorbraakbundel, die hem definitief op de literaire kaart zou zetten als de meester van het minimalistische proza. Hogepriester van het soort laconieke weglaten waarop de auteurs van het dirty realism hun blauwe-boorden-werelden bouwden, en dat generaties schrijvers probeerden te imiteren.
Maar de brief die Raymond Carver (1938-1988) na een doorwaakte nacht schreef aan redacteur Gordon Lish was allesbehalve euforisch. ‘I’ve got to pull out of this one. Please hear me,’ luidt het smekende begin van wat een lange, verwarde en wanhopige hartenkreet werd. Een epistel waarin hij Lish overlaadt met lof voor zijn redactionele vaardigheden en diepe dankbaarheid voor alles wat hij voor hem heeft betekend. ‘If I have any standing or reputation or credibility in this world,’ schrijft hij ergens, ‘I owe it to you.’ Hij herinnert hem eraan hoe hij is ‘opgestaan uit het graf’ om deze verhalen te schrijven, die van vitaal belang zijn voor zijn fragiele geestelijke gezondheid. En hij vreest dat hij, als ze in hun huidige vorm worden gepubliceerd, nooit meer achter de typemachine zal schuiven.
Want misschien zijn zijn geesteskinderen door de ingrepen van Lish wel beter geworden. Maar ze zijn ook nagenoeg onherkenbaar voor zijn vriendin, Tess Gallagher, bevriende collega’s als Tobias Wolff en Richard Ford, die ze hebben gelezen, en voor hemzelf.
‘Neem alsjeblieft de benodigde maatregelen om de productie van het boek tegen te houden,’ besluit hij. ‘Probeer me alsjeblieft deze (contract) breuk te vergeven.’

Captain Fiction
Dat die brief, vorig jaar herfst in zijn geheel opgenomen in het notenapparaat van Carvers Collected Stories in de monumentale reeks The Library of America, bestond, was geen nieuws. Zoals ook bekend was hoe belangrijk Gordon Lish was in het begin van Carvers carrière en, in grote lijnen, hoe hun relatie schipbreuk leed. In 1998 schreef journalist D.T. Max al een geruchtmakend artikel over de kwestie in The New York Times, ‘The Carver Chronicles’, nadat hem ter ore was gekomen dat de publicatie van een academicus die, na bestudering van het originele manuscript van What We Talk About, aan zou tonen hoe enorm Lish’ invloed op dat boek was geweest, was tegengehouden door Carver-weduwe Gallagher.
Max dook daarop zelf in de archieven en sprak met de zelfverklaarde ‘Captain Fiction’. Hij beschreef diens rol als ontdekker van de literaire grootheid toen die eind jaren zestig, net als hij, nog een sappelende redacteur was bij een educatieve uitgeverij in Palo Alto. Een zware alcoholist met een slecht huwelijk en chronisch geldgebrek, twee kinderen die onderhouden moesten worden en gedichten en verhalen, geschreven in moeizaam bevochten vrije uren, die alleen de obscuurste tijdschriftjes wilden afdrukken. Tot Lish, die zijn talent meteen herkende, hem onder zijn vleugels nam en, eerst als redacteur fictie bij Esquire en later via zijn eigen imprint bij uitgeverij Knopf, McGraw-Hill waar de debuutbundel Will You Please Be Quiet, Please? (1976) uitkwam, een publiek gaf.
Maar dat geschenk had wel een prijs. Want was zijn mentor en voorvechter vanaf het begin al een eigenzinnig rigoureuze redacteur geweest, toen dat eerste boek juichend werd ontvangen om het directe, van sierkrullen ontdane proza, groeide zijn zelfvertrouwen zo, dat hij zich tot een regelrecht co-auteur ontpopte. Iemand die achteloos titels en namen veranderde en net zo lang en meedogenloos schrapte tot overbleef wat hij de essentie achtte.
In de zomer van 1980 smeekte en tierde Carver daarover. Hij sloeg jammerend met zijn vuist op tafel. Zo kon het niet! Maar twee dagen later bond hij alweer in, en op 14 juli schreef hij Lish dat hij ‘thrilled’ was over de naderde publicatie en uitzag naar het volgende boek. What We Talked About… verscheen in februari 1981, precies zoals de redacteur het voor ogen had gehad. Twee jaar later scheidden hun wegen. Tot zover het bekende verhaal.

Talentvolle zuipschuit
De gebeurtenis die de door William L. Stull en Maureen P. Caroll bezorgde Collected Stories vorig jaar nog extra gewicht gaf, was dat aan het eind Beginners werd opgenomen. Het, betoogden zij, gerestaureerde manuscript van de bundel, bijna drie decennia later alsnog onder Lish’ slagersmesachtige rode pen vandaan getrokken. De verhalen zoals Carver ze echt had bedoeld. Tess Gallagher, die zich al jaren beijverde voor deze ‘rehabilitatie’, zal tevreden zijn geweest met die voorstelling van zaken. Haar man als kwetsbaar slachtoffer van een megalomane zinnenuitbener. En dus niet als talentvolle zuipschuit die op de rug van zijn briljante semi-ghostwriter naar de top van de literaire Olympus was gedragen, zoals de geruchtenmachine fluisterde. Maar het voornaamste was, uiteraard, dat je de twee versies als lezer eindelijk zelf kon vergelijken. En dat kan nu ook in vertaling, aangezien De Bezige Bij beide bundels onder de titel Beginners opnam in haar nieuwe reeks Ulysses Klassieken.
Eerste conclusie: de verschillen zijn inderdaad groot. Van de zeventien verhalen behielden er slechts zeven hun oorspronkelijke titel en van de tweehonderd manuscriptpagina’s werd de helft weggeredigeerd.
Sommige veranderingen zijn ronduit raar. Personages die Kate en Herb heetten werden omgedoopt tot Melody en Mel, schijnbaar om geen andere reden dan dat Lish het kon.
En waarom een hotelkamernummer in ‘Gazebo’ 11 in plaats van 22 moest worden, is een raadsel. Maar meestal is de methode duidelijk genoeg: elk vagelijk overbodig zijpad en alles wat ook maar in de verte riekte naar gepsychologiseer of sentimentaliteit, moest wijken.
Er zijn verhalen die daar ontegenzeggelijk baat bij hadden. Liet Carver zelf ‘One more thing’, waarin de alcoholist L.D. door zijn vrouw de deur wordt gewezen na een ruzie met hun dochter, eindigen in een stamelende soapdialoog vol desperate liefdesverklaringen, de gecanoniseerde slotzinnen zijn vele malen sterker en suggestiever: ‘He said: “I just want to say one more thing.” But then he could not think what it could possibly be.’ En een subplot over een albinojongetje in ‘Want to See Something?’ sneuvelde terecht toen het verhaal ‘I Can See the Smallest Thing’ ging heten. Maar elders wordt de grens tussen geserreerd en gemutileerd akelig vaag. Met als droevig dieptepunt het schitterende ‘A Small, Good Thing’, waarvan onder de titel ‘The Bath’, van 27 teruggebracht tot vijf bladzijden, werkelijk niets overbleef.
Dat Carver het verhaal een nieuwe kans bood in Cathedral (1983), onder diens strikte orders minimaal geredigeerd door Lish, is veelzeggend. Net als die opmerking in een interview in The Paris Review van datzelfde jaar over de opvallende nieuwe weg die hij in die volgende bundel insloeg: minder ‘minimalistisch’, guller. ‘Ik wist dat ik zover de andere kant op was gegaan als ik kon en wilde, alles uitbenen tot op het merg, niet alleen tot op het bot.’ Had hij die lijn doorgetrokken, dan had hij dingen gepubliceerd ‘die ik zelf niet had willen lezen’.
Achteraf kun je zeggen dat die ontwikkeling een bundel eerder al was ingezet, maar dat het bloemrijkere proza en de emotionele ontboezemingen door Lish, met de beste bedoelingen, werden ingeperkt.
Dat maakt Beginners niet tot een demasqué. Noch van Carver, want dat verhalen beter kunnen worden dankzij redactionele begeleiding is geen schande maar een feit. Noch van Lish, die, al schoot hij daarin soms hooghartig door, dacht te handelen in de geest van zijn auteur. En, nee, het is evenmin de gerestaureerde versie van een verwoest meesterwerk. Wel verplichte studiestof voor elke redacteur die wil weten hoe het wel én niet moet. En vooral een fascinerende ontbrekende schakel in een oeuvre, onmisbaar voor wie wil weten waar we over praten als we praten over Raymond Carver.

Beginners van Raymond Carver verschijnt in de vertaling van Sjaak Commandeur in november bij De Bezige Bij.