Een road novel zonder road

Dirk-Jan Arensman ,

De gebroeders Collyer, dwangmatige vuilnisverzamelaars in het New York van de jaren veertig, inspireerden E.L. Doctorow tot zijn roman 'Homer & Langley'. ‘Als je in een depressie leeft, ziet de economie er zo uit: er is altijd wel iemand die je afgedankte spullen kan gebruiken.’



‘Je hebt nu eenmaal bepaalde personages die in je boeken terugkomen,’ zegt hij in zijn kantoor in Greenwich Village, zijn stem een trage, vriendelijke fluistering met New Yorks accent. ‘Een soort acteursgroep die je steeds op laat draven, telkens in net iets andere kostuums.’
E.L. Doctorow (1931) debuteerde in 1960 met Welcome to Hard Times, en sindsdien heeft de gelauwerde auteur, die in eigen land in één adem wordt genoemd met Saul Bellow en Philip Roth, in elf indrukwekkende romans een even indrukwekkende cast opgebouwd.
Zijn debuut werd door cowboys bevolkt, omdat hij de roman schreef toen hij als reader voor een filmmaatschappij synopsissen maakte van te verfilmen boeken. ‘Westerns waren destijds populair, dus ik moest een heleboel afgrijselijke westernromans lezen. Tot ik op een dag besloot dat ik zelf veel beter over het Wilde Westen kon liegen dan de mensen die ik las.’ Later bouwde hij verhalen rond charmante, dromerige vaders en praktische, teleurgestelde moeders, zoals in het hartverwarmend autobiografische World’s Fair (1985); rond linkse politieke activisten, gangsters of de negentiende- eeuwde krantenmannen van The Waterworks (1994).
Maar voor mensen die vuilnis verzamelen was tot voor kort slechts een bescheiden bijrolletje weggelegd: het figuur van ‘the garbage kid’ in het gangsterepos Billy Bathgate (1989). ‘Toen ik opgroeide in de Bronx, bestond er echt zo’n jongen, die we allemaal Arnold Garbage noemden. Dat was in de jaren dertig. Er liepen oude mannen door de straten met enorme pakken op hun rug. “Ik verzamel kleren! Ik verzamelen kleren!” Ze kochten voor een grijpstuiver je oude pak op, lieten het opknappen en verkochten het weer door. Als je in een depressie leeft, ziet de economie er zo uit: er is altijd wel iemand die je afgedankte spullen kan gebruiken.’

Bergen rotzooi
Geen wonder misschien dat de gebroeders Collyer, waarop hij de helden van het melancholieke en fantasievolle Homer & Langley baseerde, rond dezelfde tijd uitgroeiden tot plaatselijke legendes. ‘Ze begonnen de aandacht te trekken omdat ze duidelijk excentriek waren,’ herinnert hij zich. ‘Je zag ze vaak pas na zonsondergang de straten afstruinen opzoek naar “nuttig” afval. Terwijl ze uit een upperclassfamilie kwamen. Hun vader was een bekende arts, hun moeder operazangeres, mensen met sociale contacten in de hoogste kringen. Maar nadat hun ouders overleden, trokken ze zich langzaam terug uit alles waarin ze waren opgegroeid.’ Kluizenaars werden het, die voortdurend oorlogjes uitvochten met de elektriciteitsmaatschappij, de gemeente en de bank, omdat ze hun rekeningen niet betaalden. Die zich in vodden kleden en hun huis vulden met bergen rotzooi. ‘De pers kwam ze op het spoor, en er begonnen geruchten de ronde te doen dat er grote hoeveelheden geld in dat huis verborgen lagen. Langley werd daar dusdanig paranoïde van dat hij eind jaren veertig overal vallen begon te zetten om insluipers tegen te houden, terwijl zijn broer, die inmiddels blind en enigszins verlamd was, volkomen afhankelijk van hem was.’
In 1947 ontdekten de autoriteiten hun lichamen. Langley was gestruikeld over een van de touwtjes die hij zelf had gespannen, en bedolven onder een lawine van rommel; Homer verhongerd.
‘Ik heb foto’s gezien van massa’s mensen die stonden te kijken, terwijl de politie en brandweer hun lijken uit het gebouw haalden en alle spullen afvoerden. Vrachtwagen na vrachtwagen. Ze werden meteen mythische figuren. Instant folklore. Een chef van de brandweer in New York vertelde me dat als ze vandaag de dag op hamsteraars stuiten, ze dat nog steeds een ‘Collyer-event’ noemen.’

Op de kast
Doctorow speelde al langer met het idee ooit iets te doen met die kleurrijke types uit zijn jeugd. ‘We dragen allemaal dat soort ideeën met ons mee, en vaak is het maar het beste als ze in ons hoofd blijven. Maar soms dringt er zich een op dat je niet meer kunt negeren. In dit geval gebeurde dat toen ik een paar jaar geleden een artikel in The New York Times zag. Omdat de broers geen erfgenamen hadden, was hun huis aan de gemeente vervallen, die het afbrak en er een parkje inrichtte dat Collyer Brothers Park werd genoemd.’ Een eenvoudig, omheind strookje groen met een paar bomen en plantenbakken op de hoek van West 128th Street en 5th Avenue. ‘Maar de bewoners maakten bezwaar tegen de naam, omdat ze vonden dat het hun keurige buurt naar beneden haalde. Toen ik dat las, wist ik: als die broers ruim vijftig jaar na hun dood nog steeds mensen op de kast jagen, dan heb ik iets in handen!’
Het is niet voor het eerst dat de schrijver bestaande historische figuren opvoert. Zo was The Book of Daniel (1971) een gefictionaliseerde versie van het verhaal van Ethel en Julius Rosenberg, kwamen in Ragtime (1975) J.P. Morgan, Sigmund Freud en Harry Houdini voorbij en was zijn vorige roman, The March (2005), een evocatie van de veldtocht die generaal Sherman tegen het eind van de Amerikaanse Burgeroorlog ondernam, met 60.000 man dwars door het hart van het land. Gebonden aan de geschiedkundige feiten voelde hij zich daarbij zelden. Ook niet nadat vooral historici nogal overstuur raakten van het ‘satirische patina’ dat hij in Ragtime over die personages legde. ‘Wist je,’ lacht hij, ‘dat je in Engeland een Koning Richard III-genootschap hebt, dat tot doel heeft de reputatie van Richard III te herstellen na het afgrijselijke onrecht dat Shakespeare hem heeft aangedaan? Ze houden lezingen waarin ze stellen dat hij een heel goede koning was die helemaal geen kinderen vermoordde en dol was op zijn onderdanen. Heel nobel allemaal, maar wie heb je liever: hun Richard of die van Shakespeare?’

Mythologische figuren
Ook in Homer & Langley voelde hij zich vrij om de werkelijkheid naar zijn hand te zetten. Zo verplaatste hij hun huis van Harlem naar de rand van Central Park, maakte hij Homer veel jonger blind en gaf hij ze zelfs ruim dertig jaar extra te leven. ‘Ik heb ze behandeld als mythologische figuren. En mythes research je niet, die interpreteer je. Sofocles, Euripides en Aeschylos hebben ieder hun versie van het Huis van Atreus gebouwd. I took a shot at the House of the Collyers.’
Dat begon met de eerste zin, ‘Ik ben Homer, de blinde broer.’, die hij op een dag opschreef, en meteen ‘vreselijk evocatief’ vond. ‘Hij creëerde een discipline, een beperking die ik interessant vond. Het betekende dat ik bepaalde dingen niet kon doen, waar ik een weg omheen moest vinden, net als iemand die echt geen gezichtsvermogen heeft.’
Het had een claustrofobisch perspectief kunnen zijn in een tamelijk claustrofobische setting: twee mannen, grotendeels opgesloten in hun huis. ‘Maar op een bepaald moment realiseerde ik me dat de gesprekken tussen die broers de ruggengraat van het boek waren. Ze praten constant tegen elkaar, hun leven lang. Dat deed me denken aan een picaresk, aan de eindeloze dialogen van Don Quichot en Sancho Panza. Alleen gaan zij niet op avontuur, maar komt de wereld naar hen toe. It was a road novel without the road.’
Door hun schamele eigen ervaringen en ontmoetingen met personeel en passanten, zien de broers ruim een halve eeuw Amerikaanse geschiedenis aan zich voorbijtrekken. Van de Eerste Wereldoorlog, waar Doctorow Langley uit laat terugkeren als soldaat, tot de roaring twenties, van de tijd van drooglegging en almachtige maffiabazen (ze ontmoeten in een speakeasy de gangster Vince, die hun huis jaren later als onderduikadres gebruikt) tot woii, waarin hun Japanse huishouders geïnterneerd worden en de jazzklarinet spelende zoon van een ander lid van het huishouden sneuvelt. Of de hippies in Central Park, die in de langharige, mottig geklede broers zielsverwanten denken te herkennen.

Eeuwige Krant
Ondertussen schiep Doctorow voor zijn helden ‘betekenisvolle excentriciteiten’. Hij begon ze, met hun obsessieve verzamelwoede, te zien als ‘curatoren van hun eigen beschaving’, en construeerde onder meer een poëtische verklaring voor het feit dat Langley jarenlang kilo’s oude kranten opsloeg. ‘Als student ontwikkelt hij de Theorie van de Vervanging, het idee dat iedereen na zijn dood vervangen wordt door mensen die precies hetzelfde doen als hun voorgangers. Dat betekent dat gebeurtenissen ook steeds terugkomen, en hij probeert te achterhalen welke gebeurtenissen dat zijn en op welke pagina ze thuishoren in een door hem samen te stellen Eeuwige Krant.
‘Laatst wees iemand me erop dat ik jaren geleden zei dat ik dolgraag de opdracht zou krijgen om één volledige editie van The New York Times te schrijven, in mijn eentje. Dus toen hij over Langleys onderneming las, zei hij meteen: dat is jouw droom!’
Een passende parallel, want al is hij vaak geroemd als chroniqueur van New York, de vloeibaarheid van de tijd is in zijn oeuvre minstens zo belangrijk. Daarom heeft hij ook zo’n hekel aan het label ‘historische roman’, dat hem doet denken aan romantische kostuumdrama’s. ‘Hawthorne’s The Scarlet Letter speelt 150 jaar voor hij het schreef, maar niemand ziet dat als een historische roman. Of neem de boeken die Hemingway tijdens en over de Spaanse Burgeroorlog schreef. Moet je die nu, zeventig jaar later, met terugwerkende kracht historische romans gaan noemen?!’
Ja, je kunt in het werk van Dickens of Tolstoj dingen leren over een bepaalde periode. ‘Maar als je een boek schrijft, valt de tijd op een bepaalde manier weg – het enige dat overblijft is het verhaal, met zijn eigen inwendige klok–, terwijl je paradoxaal genoeg ook altijd je eigen tijd weerspiegelt. Ik was bijvoorbeeld waarschijnlijk nooit op het idee was gekomen Homer & Langley te schrijven als George W. Bush niet president was geweest. Het boek gaat, is me verteld, onder meer over the end of empire. Over entropie.’ Met het huis van de Collyers als parabel voor een land dat ten onder gaat aan zijn eigen schraapzucht en overconsumptie. ‘Dat wist ik niet toen ik ermee bezig was, maar ik vind het een behoorlijk goede interpretatie.’

Geen tradities
Waarom hij zijn materiaal niettemin vaak in het verleden zoekt?
Hij staart naar buiten. ‘Ik denk dat het ermee te maken heeft dat ik nooit het gevoel heb gehad dat deze stad een literaire identiteit aan me opdrong. Mensen die vanuit New York schrijven, kun je geen regionale schrijvers noemen, zoals southern writers. Alles verandert hier te snel, er zijn geen tradities die je leven regeren. Daarom heb ik ooit bedacht dat een tijdsperiode net zo goed een constructief principe in een roman kan zijn als de plek waar hij zich afspeelt.’
E.L. Doctorow glimlacht. ‘Faulkner had zijn Yoknapatawpha County in Mississippi, ik heb de twintigste eeuw.’

E.L. Doctorow: Homer & Langley (vertaling Sjaak Commandeur, uitgever De Bezige Bij)