In het hele huis kon je het ruiken, die vreemdzoete geur

Tjitske Mussche ,

Een man snijdt een andere man de penis af, snijdt hem de keel door en braadt lapjes van zijn lid en billenvlees. Allemaal op nadrukkelijk verzoek van het slachtoffer. In 2002 haalde deze unieke zelfmoord in Duitsland de wereldpers. De Vlaamse schrijver Yves Petry gebruikte de zaak als aanleiding voor zijn roman 'De maagd Marino'.

‘Ik weet nog dat ik het bericht in de krant las en dacht: dit wil ik ook doen!’ Yves Petry leunt achterover in zijn sobere Brusselse appartement, een sjekkie in de hand. ‘Maar dan in literaire vorm natuurlijk’ voegt hij er breed lachend aan toe. Voor me zit een heel andere Petry dan de figuur die de lezer zo streng toekijkt op de achterflap van zijn boek. ‘Tja, foto’s…’ verzucht hij, ‘dan moet je secondenlang in zo’n lens glimlachen voordat de fotograaf eens afdrukt! Tegen die tijd ben ik al half van ijs geworden en dan krijg je dus dit. Het was nog de beste.’ Petry (1967) debuteerde in 1999 bij de Bezige Bij en schreef sindsdien vijf romans.
In al zijn boeken is het woord aan anti-helden die in een sombere wereld op zoek zijn naar geluk, maar daar consequent in falen. In De maagd Marino zijn dat de zwijgzame computertechnicus Marino Mund die nog tot haar dood bij zijn moeder woont en Bruno Klaus, een welbespraakte universitair docent literatuurwetenschap die zijn geloof in literatuur verliest en daarmee ook de zin van zijn leven. Hij wil er een einde aan maken en vraagt Marino, met wie hij sinds enkele maanden een seksuele verhouding heeft, hem te helpen.
Petry: ‘Het is geen reconstructie van wat daar in Duitsland gebeurd is. Ik ben schrijver, geen journalist en heb daarom nauwelijks research gedaan. Ik wilde kijken hoe ik er mijn eigen verhaal van kon maken. Het ging mij er niet om een verklaring te geven voor waaròm die mannen in Duitsland dit deden. Stel je voor dat ik een verklaring vond die zo logisch en constitent was dat iedereen zei: ‘Natuurlijk, als ik in hun plaats had gestaan had ik hetzelfde gedaan.’ Dat kan niet, het is iets zeer irrationeels, bizars en onverklaarbaars. Dat wilde ik absoluut handhaven, daarom heb ik ook geprobeerd al te gemakkelijke psychologische of filosofische verklaringen te vermijden. Ik denk ook dat er in het algemeen voor de meer fundamentele keuzes die we maken geen verklaringen bestaan. We weten niet waarom we de dingen doen zoals we ze doen of wie we zijn. We moeten dus bescheiden zijn over ons eigen kenvermogen. Een mystiek soort bescheidenheid is het. Daar ben ik door het schrijven van dit boek zelf overigens ook veel beter in geworden.’

Op het randje
De maagd Marino opent met de gruweldaad, beschreven tot in detail. Het is misselijkmakend goed gedaan; de ‘vreemdzoete geur’ die uit het verminkte lijk komt, hangt als een damp boven de pagina. Werd de schrijver zelf ook niet licht in het hoofd af en toe? Petry: ‘Nee, dat viel wel mee. Ik kon afstand houden doordat ik het niet vanuit de ik-persoon maar vanuit een alwetende verteller schreef. En die vreemdzoete geur ken ik maar al te goed. Ik kom van het platteland en bij ons thuis hingen regelmatig geslachte varkens aan haken in de kelder. Die nare geur hing dan door het hele huis.’
Alles wat de lezer over Bruno en Marino te weten komt, verneemt hij via de stem van Bruno. Na zijn dood ‘spreekt’ deze via Marino, die in de gevangenis zit en hun verhaal opschrijft. Petry: ‘Dit ongewone perspectief van het slachtoffer door de moordenaar is spannend om te schrijven. Je balanceert steeds op het randje van onwaarschijnlijkheid, want eigenlijk kan het natuurlijk niet. Het is Marino die het schrijft, maar dat is eigenlijk gek omdat hij in eerste instantie opgevoerd wordt als de niet-talige van het stel. Maar na Bruno’s dood is dat anders. Dat heb ik trouwens ontleend aan de zaak in Duitsland. Daar zei de moordenaar dat hij beter Engels kon, nadat hij had gegeten van zijn slachtoffer dat goed Engels sprak. Maar Marino heeft misschien ook wel wat opgestoken van de paar maanden dat hij optrok met de pedante en belerende docent Bruno Klaus.’
En pedant en belerend ìs hij, Bruno Klaus. Bladzijdes lang houdt hij essayerende tirades over de teloorgang van zo’n beetje alles: literatuur, religie, onderwijs, liefde, seks en zelfs porno. Petry: ‘Het is natuurlijk wel een suïcidale man hè! Ik beschrijf sowieso nooit hoofdpersonen waar ik graag mee op vakantie zou willen gaan. Ik kies als schrijver ander gezelschap dan als mens. Extreme hoofdpersonages vind ik uitdagender. Ik hoop dat die naargeestigheid van Bruno voor de lezer overwonnen wordt door zijn welsprekendheid, zijn stijl en humor, en de meeslependheid van zijn gedachten. Literatuur moet wat mij betreft niet alleen het troostrijke of optimistische beschrijven, maar juist ook het onaangename, de onvermijdelijke dood. Maar wel op zo’n manier dat het verteerbaar en zelfs interessant of fascinerend wordt.’

Grote mannen
Hòe de dingen gezegd worden, stijl, dat is waar het Petry uiteindelijk allemaal om gaat. Net als Bruno overigens, die schrijft: ‘De grote auteurs, dat waren nog eens mannen. (…) Onverschrokken kwamen ze op voor de waarheid en het bestaansrecht van hun personages met geen ander wapen in handen dan de hypnotiserende vermogens van de taal.’ Voor zowel Bruno als Petry zijn die grote mannen onder anderen Vladimir Nabokov, Martin Amis en Thomas Bernard. Petry: ‘Ik herlees ze soms wel twintig keer. Niet vanwege het plot, dat interesseert me niet, zeker niet na een zoveelste herlezing, maar omdat ze een betoverende stijl hebben. Ik hoop dat ik dat ook kan bereiken bij mijn lezers. Dat ik kan laten zien hoe troostrijk het kan zijn als zelfs de verschrikkelijkste dingen mooi worden gezegd. Daar doe ik het voor.’ Hoe mooi Petry de verschrikkelijkste dingen soms ook zegt, twee jaar lang aan een boek schrijven waarin eigenlijk het hele leven failliet gaat, werd hij daar zelf toch ook niet wat depressief van? ‘Nee hoor, maak je geen zorgen. Ik ben Bruno niet. Ik weet allerlei illusies moeiteloos te handhaven en geniet er dagelijks van.’ Hij laat zijn blik nog eens over de auteursfoto op de achterflap glijden. ‘Er zit nog wel ìets van een glimlach in, toch?’

Yves Petry, De maagd Marino, De Bezige Bij