In voorbereiding: Gustaaf Peek

Dirk-Jan Arensman ,

In de aanloop naar het nieuwe boekenseizoen, dat in september losbarst, vertellen zeven auteurs over de totstandkoming van hun nieuwe roman. Afl.2: Gustaaf Peek.

Schrijven,’ zegt hij met verrukking in zijn stem, ‘is jezelf opzadelen met duizenden problemen waar je duizenden oplossingen voor moet vinden. Als dat je gelukt is, dan is je roman af.’
Zijn nieuwe roman, Ik was Amerika, moet in september verschijnen. Hij doorloopt het hele manuscript ervan dezer dagen nog één keer met zijn redactrice, en daarna komt de drukproef. Maar Gustaaf Peek (1975) kan het nu al constateren: ‘Het is me dus weer gelukt! Ik heb mezelf weer kunnen meten en verrassen.’ Voor de derde keer, in zijn geval, want hij debuteerde in 2006 met Armin en publiceerde twee jaar later Dover. Geëngageerde, ambitieuze romans waren het allebei, waarin hij onder meer verband legde tussen het Lebensborn-project uit de Tweede Wereldoorlog en hedendaagse gentechnologie en schreef over de tientallen Chinese illegalen die in 2000 stikten in een vrachtwagen op een veerboot. Romans ook die hem volgens menig criticus op de kaart zetten als een talent om rekening mee te houden, maar nog geen bestsellers werden. Maar vraag hem of de druk daarom toeneemt, en Peek schudt glimlachend zijn hoofd. ‘Bruce Springsteen zei ooit, helemaal aan het begin van zijn carrière: “I’m in it for life.” Dat geldt voor mij ook. Elk boek is er één. Ik heb niet het idee: “O God, het is mijn derde, nu moet het staan!” Als het meer zou verkopen, is dat leuk, maar voor mij is het belangrijkste dat ik op elke volgende roman, als ik er klaar mee ben, trots kan zijn. So far, so good.’

Vergeten geschiedenis
Terug naar het begin dan, naar het eerste idee. ‘Dat kreeg ik in 2007, toen ik op een tentoonstelling was van fotograaf Martin Roemers, die allemaal oorlogsveteranen had gefotografeerd, waaronder Duitse oorlogsveteranen. Een van die oude heren, ene Gerhard, vertelde in het onderschrift dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog als krijgsgevangene in een kamp had gezeten in de Verenigde Staten. Ik las dat, en dacht meteen: waarom weet ik dat niet? Waarom heb ik nog nooit van die kampen gehoord?
Hij was niet de enige, lacht hij. ‘Ik heb inmiddels zelfs meegemaakt dat iemand die een vroege versie van mijn boek las, dacht dat het sciencefiction was. Dat gegeven van die krijgsgevangene heb ik opgeschreven in een boekje, en om de zoveel tijd moest ik er weer aan denken. Wat een raar verhaal! Ook omdat die Gerhard er nog over klaagde dat de Amerikanen “de Neger” zo slecht behandelden! Hoe haal je het in je hoofd! Maar tegelijkertijd: helemaal onwaar is het niet… Toen ik er uiteindelijk research naar ging doen, bleken die kampen in Amerika ook relatief onbekend. Er waren een paar memoirs van mensen die het destijds, als kind, van een afstandje hadden gevolgd en er is, in 1979, één overzichtswerk van een historicus over verschenen. Meer dan dertig jaar geleden dus.’ Vergeten geschiedenis. ‘Hoewel, toen ik in Texas was, waren ze wel net bezig het wat bekender te maken, de barakken die er nog zijn te restaureren. Misschien begint het nu dus een beetje te komen. Als ik onderzoek op locatie doe,’ zegt de schrijver, ‘is het belangrijkste voor mij: look and feel. Ik wil weten hoe het daar voelt, hoe het weer is, hoe het er ruikt. Ik dacht op voorhand bijvoorbeeld dat Texas heel droog en dor was, maar ik kwam daar, en alles was groen. Eikenbomen waar je keek. Oké, heel goed, denk ik dan: totaal anders dan ik had gedacht.’

'Allo, 'allo!
Verrassingen. Zoals de omstandigheden waaronder die krijgsgevangenen leefden, zeker met de beelden van Guantánamo Bay op zijn netvlies, ook verrassend anders waren. ‘Guantánamo is echt zoals een vrij land, een democratische rechtsstaat het niet moet doen. Daarmee vergeleken waren die kampen in de Tweede Wereldoorlog eigenlijk heel rechtvaardig. Ze hadden de instelling: als wij goed zijn voor de Duitsers en we stralen dat uit, dan zullen de Duitsers ook goed zijn voor Amerikaanse krijgsgevangenen. Er waren filmvoorstellingen, er werden operettes opgevoerd waarbij de mannen uiteraard alle vrouwenrollen speelden. Bijna het ’Allo ’Allo!-cliché. En ik kwam ook een mooie anekdote tegen over een voetbalwedstrijd die ze hielden. Voor het veld hadden ze natuurlijk lijnen nodig. Eerst gebruikten ze daar bloem voor, maar dat werkte niet, dat stoof weg. Dus toen hebben ze suiker gebruikt. Suiker! Midden in de oorlog! Heel decadent eigenlijk, maar ja, in het kamp was veel meer suiker dan erbuiten. Toen de bewakers er achterkwamen waren ze des duivels, dat wel.’ En er was wel degelijk dwangarbeid. ‘De officieren hoefden niet te werken, maar de gewonen voetsoldaten wel. Die stonden als goedkope arbeidskrachten voor de boeren bonen en katoen te plukken tussen de zwarte mensen, wat ze echt wel als een extra straf zullen hebben ervaren. Als je als Duitse soldaat geïndoctrineerd bent door het land waar je uitkomt, dan kan ik me niet voorstellen dat je daar heel liberaal mee omgaat. Hardcore nazi’s waren er ook, die de drang hadden: we moeten hier weg! We zijn in het land van de duivel. En alle gevangenen misten natuurlijk hun familie, waren onzeker over de vraag of ze nog leefden. Maar voor de meesten waren het later ergens “gelukkige” herinneringen. Je was uit de oorlog, je hoefde niet te vechten en je kreeg goed te eten. Na de oorlog zijn er een heleboel teruggegaan naar de vs, terug naar de plek waar ze zich ooit goed hadden gevoeld.’ Uit al die gegevens en indrukken begon langzaam het verhaal te ontstaan. Van Dirk, een Nederlander die vecht voor de nazi’s en in een Texaans prisoner of war camp terechtkomt, en van Harris, een zwarte tractorrijder met wie Dirk daar vriendschap sluit en die hij 36 jaar later in Houston weer gaat opzoeken. ‘Want,’ zegt Peek over die laatste tijdsprong, ‘voor mijn gevoel waren de late jaren zeventig eigenlijk het eind van de twintigste eeuw. Daarna werd de wereld technologischer, harder, te slim over haar eigen geschiedenis ook. Het eind van een tijdperk, een afscheid en dus een moment om terug te kijken.’

Roofbouw
‘Het begint bij mij met stemmen. Al vroeg in het onderzoek, toen ik aantekeningen maakte, hoorde ik bijvoorbeeld Harris’ stem. Ik begon hem te begrijpen en te voelen hoeveel hij had meegemaakt. Ook door me simpelweg voor te stellen: oké, ik ben nu even een zwarte man van 25 in de katoenvelden. En nu ben ik bijna zeventig, de wereld is veranderd en ik leef in de urbane samenleving van de late jaren zeventig. Wat doet dat met me? Ben ik verwonderd of moe? Hoe ga ik daarmee om?’
Grote historische lijnen, morele kwesties en een betrokken blik op de samenleving. Peek kijkt, net als in zijn vorige twee romans, op het eerste oog vooral op een verfrissende manier naar buiten. Voelt hij zich een geëngageerd schrijver? ‘Als je het over de wereld wilt hebben, die wilt vatten en iets wilt stellen, dan ontkom je daar niet aan. Het bevalt me ook. Het voelt serieus, ferm, alsof ik het ergens voor doe en er iets van afhangt. Maar tegelijkertijd pleeg ik roofbouw op mijn eigen emoties en psychologie om aansluiting te vinden bij die verhalen in de grote wereld en recht te doen aan die personages die ik creëer. Verleiden met verhalen is het, want mijn wereldbeeld verandert ook vooral door verhalen. Ik wil je iets laten zien, daardoor ga je hopelijk iets voelen en daardoor weer iets denken. Stiekem maak ik heel emotionele boeken. Ze gaan alleen niet over Gustaaf Peek. De grote uitdaging, de white whale , was dit keer bijvoorbeeld de liefde. Een echte, volwassen relatie tussen man en vrouw beschrijven. Dat had ik nog niet gedaan, dus dat is weer een stap: een van de grote emoties van de mens heb ik op papier.’
De volgende stap komt er zeker ook. ‘Ik durf nu te zeggen dat ik het vak beheers. Als een timmerman die, als hij weet wat hij wil maken en tijd van leven heeft, dat ook maakt. Een idee heb ik al. Maar na drie boeken in vijf jaar heb ik voor het eerst bedacht: ik ga even pas op de plaats maken. Ademhalen. Opladen.’

Ik was Amerika verschijnt in september bij uitgeverij Querido