In voorbereiding: Marente de Moor

Katja de Bruin ,

In de aanloop naar het nieuwe boekenseizoen, dat in september losbarst, vertellen zeven auteurs over de totstandkoming van hun nieuwe roman. Afl.4: Marente de Moor.

Eigenlijk wilde ze helemaal geen romans gaan schrijven, zegt Marente de Moor. De journalistiek waarin ze werkte, beviel haar prima. Alleen haar eerste roman, De overtreder, over Russische immigranten in Amsterdam, moest er komen. Het was een boek over een wereld die ze goed kende, met personages die min of meer hadden bestaan. ‘Ik liep er lang mee rond, tekende ten slotte die verhalen op en nam me weer voor nooit romans te schrijven.’ Maar toen verhuisde ze van de Amsterdamse grachtengordel naar de Zuid-Limburgse heuvels en diende zich toch een nieuw boek aan. Een epische roman met in de hoofdrollen een achttienjarig meisje en een Heathcliff-achtige held: De Nederlandse maagd. Een hachelijke onderneming, beseft De Moor. ‘Ik kan hier flink mee om de oren worden geslagen. Mijn debuut had dat absurd Russische, waarmee je de lachers wel op je hand krijgt, dat waarderen mensen ook in mijn column voor Vrij Nederland. Dit is ernstig, onomwonden hartstochtelijk. Het is sowieso riskant om een roman te schrijven vanuit het perspectief van een bakvis.’
Misschien heeft het te maken met haar verhuizing. Jarenlang woonde ze in Rusland, daarna een jaar of zes in hartje Amsterdam, nu in Zuid-Limburg. Alleen, in the middle of nowhere. ‘Sinds die verhuizing heb ik aan dit boek geschreven, waardoor ik een nog geïsoleerder leven leidde dan ik anders al geleid zou hebben. Schrijven, wandelen, paardrijden, schrijven, wandelen. Tijdens peinzende wandelingen in doodstille natuur komen de raarste gedachten boven, dat weet iedereen. Zoals iedereen ook weet dat je niet alleen bent als je schrijft. Er gebeurt al zoveel in je hoofd dat je er helemaal geen aanloop bij kunt hebben. Een kopje thee met de buren, dat is het wel.’

Schermles
De Nederlandse maagd
speelt zich af net over de Duitse grens. Zomer 1936. De achttienjarige schermster Janna stapt op de trein om in de leer te gaan bij schermmaître Egon von Bötticher, een huzaar die zich na de Eerste Wereldoorlog heeft teruggetrokken op een afgelegen landgoed nabij Aken. Daar geeft hij schermles en organiseert hij Mensur-duels voor studenten.
‘Aanvankelijk wist ik alleen dat het over de schermsport zou moeten gaan,’ vertelt De Moor. ‘Ook al zo’n hartstochtelijke sport. Toen kwam ik per ongeluk uit in 1936, midden in het Derde Rijk, en daar had ik eigenlijk helemaal geen zin in. De reden van dat jaartal was Helene Mayer. Zij was een fenomenale Duitse schermster die kampioen werd op de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam. Ze werd in die tijd als een filmster verafgood. Mijn hoofdpersoon zit daar met een flesje cola op de tribune, dat werd toen voor het eerst geschonken in Nederland. Ze ziet de mooie Mayer en gaat haar zo’n acht jaar later achterna, dus dan kom je vanzelf uit in het Derde Rijk. Mijn eerste reactie was: o nee, dit wil ik helemaal niet! Maar het is een misvatting dat het dagelijkse leven op zou houden in tijden van grote maatschappelijke of politieke omwentelingen. Van mijn leven in Rusland in de jaren negentig weet ik dat juist in woelige tijden mensen hardnekkig blijven doorgaan met dagelijkse besognes. Boodschappen, afwassen, aardappelen eten, daar gaat het om en de gesprekken dus ook. Mensen spraken heus niet de hele tijd over de Führer. Het leven van alledag is stugger dan je denkt, zeker op het platteland.’

Symmetrie
De Moor schreef eerst het boek en ging pas daarna research doen om te kijken of alles wel klopte. Riskant, maar het pakte goed uit. Ze liet passages verifiëren door historici, medici en schermmaîtres. ‘Je levert je tekst in en dan hoop je maar dat het geen volkomen waanzin blijkt.’ Dat viel gelukkig mee. Ze beging tot haar eigen verbazing geen blunders. Wat alvast scheelde, was dat ze zelf schermt.
‘Daarmee ben ik pas later begonnen, toen leerde ik dat merkwaardige milieu kennen. Schermen biedt een heel mooi schouwspel, natuurlijk. Ik ben gebiologeerd door de symmetrie van die sport. Het gegeven van twee mensen, de sterke individuen die schermers moeten zijn, die tegenover elkaar op de loper staan en razendsnel naar elkaar toe schuiven en terug, binnen het bestek van bepaalde lijnen. Die symmetrie is een belangrijk thema in het boek, zoals het spel tussen hartstocht en beheersing, die deze sport kenmerkt. Soms explodeer je bijna van ongeduld als je schermt, maar dat mag je niet laten gebeuren, dan verlies je. Als je schermen en Duitsland zegt, zeg je natuurlijk Mensur, en ook die beschrijf ik. De Mensur is een traditionele inwijdingsrite in het Duitse studentenleven die nog steeds hier en daar wordt gepraktizeerd. Op het moment dat je toetreedt tot zo’n studentenvereniging, moet je duellen schermen op wapenlengte afstand waarbij je niet mag terugdeinzen. Alles is afgedekt, behalve wangen en voorhoofd. Er wordt met scherp geschermd en de bedoeling is dat je daarmee voor het leven wordt getekend. In Duitsland had je een hele klasse van adellijke jongens die tot ver in de twintigste eeuw met grote littekens op hun gezicht rondliepen, zoals je dat ook bij Afrikaanse stammen ziet.’

Toontje
Behalve de schoonheid van het schermspel, speelt ook de schoonheid van het landschap een rol in deze roman. Janna woont in Maastricht en reist per trein naar Aken. Ergens daartussenin woont Marente de Moor. ‘Er zitten veel natuurpassages in die, net als seksuele passages, ontzettend moeilijk zijn om te schrijven. Je gaat je snel te buiten met die twee. Het landgoed dat ik beschrijf bestaat helemaal niet, maar het landschap dat ik beschrijf is wel dat van deze streek. Vooral bomen, op verschillende uren van de dag. Het gedrag van vogels en wolken. Ik woon er middenin, helemaal alleen, maar ik geloof wel dat het herkenbaar is voor anderen. Of niet, dat is ook niet erg. In Amsterdam leidde ik een raar leven tussen enerzijds die Russische immigranten en anderzijds het journaille. Ik werkte voor weekbladen als De Groene en HP/De Tijd, daar wordt op een bepaald toontje over de dingen gesproken. Soms hoor ik het weer als ik bezoek krijg uit die kringen; die neiging om je overal van te distantiëren. Hoef je hier helemaal niet te doen. Limburgers zullen niet over een onbeschaamd romantische observatie struikelen. Pak aan, een leerling die verliefd wordt op haar schermmaître, kan mij wat schelen. Ik vind het zelf trouwens een enorm aantrekkelijke man. En mijn redacteur, Mirjam van Hengel, ook. Het is een lekkere kerel, zo’n ouderwets romantische, norse maar charmante figuur die nooit in Amsterdam had kunnen ontstaan. Dat weet ik wel zeker. In Amsterdam waren we er niet mee weggekomen, hij en ik. Maar gelukkig zitten we hier lekker ver weg, veilig aan het randje van Nederland.’

De Nederlandse maagd van Marente de Moor verschijnt op 27 augustus bij uitgeverij Querido.