Liefde in tijden van aanslagen

Dirk-Jan Arensman ,

De tweede roman van Thomas Blondeau speelt zich af tijdens de Londense bomaanslagen van 2005. ‘Ik wilde geen verhaal schrijven dat zich alleen afspeelde tussen twee mensen in een warme kamer.’

Zijn tweede roman Donderhart is primair een liefdesverhaal, zegt Thomas Blondeau (1978) beslist. ‘Iedereen heeft wel een dramatische geliefde gehad van wie je je soms afvraagt: hoe gaat het daarmee? Hoe zou het zijn om die weer tegen te komen? Maar ik wilde geen verhaal schrijven dat zich bij wijze van spreken alleen afspeelde tussen twee mensen in een warme kamer.’
Hij wilde iets meer. Iets on-Nederlands zou je haast zeggen, als Blondeau, die al tien jaar in Nederland woont, geen Belg was.
‘Ik heb nooit begrepen waarom in romans vaak gedaan wordt alsof we een soort emotionele pantoffeldiertjes zijn die zich maar met één ding bezighouden. Als je verliefd bent, ga je nog steeds naar je werk en lees je de krant, wat mensen in de Nederlandse literatuur helaas ook maar zelden doen. Niemand is natuurlijk de hele dag bezig met politiek en de actualiteit, maar ontkennen dat het een onderdeel van ons leven is, lijkt me ook een leugen.’
In Donderhart komen een romantische obsessie, professionele ambitie en de grotere machinaties van de moderne geschiedenis daarom samen in het leven van de Vlaamse journalist Max Gosset. Onderweg naar een interview in Londen komt hij op het vliegveld Eva tegen, een succesvolle popzangeres en ex-vriendin die hij al zeven jaar wanhopig probeert te vergeten. En alsof de schok van die ontmoeting voor Max nog niet groot genoeg is, wordt hij de volgende dag in zijn hotelkamer ook nog wakker in een wereld die heeft geschud op zijn grondvesten. Het is 7 juli 2005, drie uur na de bomaanslagen in de Britse hoofdstad waarbij drie metrostellen en een dubbeldekker bus werden vernietigd. Blondeau sliep er destijds eigenlijk net zo doorheen als zijn hoofdpersonage, vertelt hij schaamlachend.
‘Ik was bezig met het schrijven van mijn eerste boek, de roman eX, en had me een beetje geïsoleerd van de media. Die ochtend kreeg ik een mailtje van een vriend. “Ik ben in Londen, alles goed, maak je geen zorgen.” Dus ik mailde terug: “Godgod, meneer gaat ook eens op vakantie… Wat doe je nou dramatisch?! Het is niet het andere eind van de wereld!” Little did I know.’

De Europese 9/11
Het duurde niet lang voor het gewicht van de gebeurtenis doordrong. ‘Een jaar daarvoor hadden we Madrid gehad, en toen, boem, Londen. Er heerste, als je de krantenstukken terugleest, echt de angst: dit kon wel eens heel vaak gaan gebeuren. In 2007 werd het oudejaarsvuurwerk in Brussel afgelast, want… er was iets. En in maart 2008 werd er een student in Breda gearresteerd waar 400 rechercheurs zich mee bezig hadden gehouden, omdat hij contact had met mensen in Londen en Madrid en daadwerkelijk van plan was ergens in Nederland bommen te plaatsen.’
Londen 2005 was bij dat alles ‘de Europese 9/11’. ‘Vooral ook omdat er voor het eerst zelfmoordaanslagen werden gepleegd in West-Europa. Door daders die extreem westers waren – cricket speelden, actief waren in het buurtwerk – en zeiden: wij offeren ons op voor een ideaal dat we niet mee zullen maken. Een uitzonderlijk moment in de geschiedenis, dat meer aandacht verdiende.’
Om het die aandacht in zijn roman te kunnen geven pleegde hij uitgebreid research. Hij sprak met Londenaren en Nederlanders die in de stad woonden. Hoorde verhalen als van dat meisje dat toen ze ’s morgens voor de spiegel stond haar jurk niet mooi vond, zich omkleedde en daardoor nét die getroffen metro miste. Over die vrouw die wel aan de metro ontsnapte, maar vervolgens in een bus stapte die werd opgeblazen. Of over mensen die door zwarte buurten gingen rijden om beledigingen te roepen of erger.
‘Getuigenissen van slachtoffers heb ik ook gelezen. Van iemand die haar benen had verloren, bijvoorbeeld, en zag dat ze aan het leegbloeden was. Maar ik heb er bewust voor gekozen die kant niet te laten zien. Je moet je hoeden voor effectbejag.
En ik wilde ook niet schrijven vanuit het perspectief van de terroristen. Ik zag een webcamfilmpje van een van de dader, een jaar voor de aanslagen gemaakt, toen hij naar Pakistan ging en daar al wilde sterven als mujahidin. Hij heeft zijn dochtertje op schoot en praat in het Engels tegen haar. Je snapt het nu nog niet en ik hou heel veel van jou en je moeder, maar pappa moet dit doen voor al onze broeders en zusters. Een bizar en radicaal verhaal. Maar ik wou de ramp laten zien vanuit het standpunt van de buitenstaander, die meemaakt wat jij en ik daar mee hadden kunnen maken.’

Ramp-als-kans
Dat Max een journalist is die aan een achtergrondverhaal begint te werken, was een voor de hand liggende keuze. ‘Op die manier kun je over de actualiteit schrijven, zonder dat je mensen in essays hoeft te laten praten, zoals Harry Mulisch dat vaak doet. Twee heren die bij elkaar komen en filosofische bespiegelingen uitwisselen. Max is bezig met een artikel, en moet er dus mensen over spreken, zoals die vertegenwoordiger van de moslimraad. Het was een beetje geforceerd geworden als hij als toerist een gewone moslim was tegengekomen, en zomaar had gevraagd: wat vind jij er eigenlijk van?’
Dat zijn verteller al nieuwsjagend bezig is met zijn carrière (de-ramp-alskans) zou hij niet cynisch willen noemen. ‘Een journalist heeft iets parasitairs. Ik mag dag zeggen, want ik bent zelf eentje,’ aldus de schrijver, die bij het Leids Universitair Weekblad Mare werkt.
‘Maar Max is oprecht geïnteresseerd in wat er gebeurt. En een arts geniet ook van zijn status en zijn mooie auto. Dat er een tijdschrift bestaat dat Arts & Auto heet, is heus niet omdat ze zo trouw zijn aan hun eed van Hippocrates. Je mag blij zijn met de benefits die bij je beroep horen. En bij een journalist zijn die dat je met interessante mensen mag praten en op de eerste rij zit terwijl de geschiedenis zich voltrekt.’ Met de afgeleide roem van dien.
Roem speelt trouwens ook een rol in Max’ verhouding met Eva, met wie hij in Londen weer aarzelend hoopvol contact krijgt. Als obstakel, omdat het feit dat Eva een popster is zijn blik op haar vertroebelt, en als metafoor: ‘Want verliefdheid is niets anders dan voortdurend aan iemand denken, bij hem of haar willen zijn. Beroemdheden hebben dat effect ook. Stalkers zijn op een bepaalde manier heel erg verblind verliefd op hun idool. Neem die gast die Reagan neerschoot, alleen maar zodat Jodie Foster hem zou zien…’

Beelden
Het effect dat een vrouw heeft op een man, het is ‘al duizend keer beschreven’. ‘Niccolò Ammaniti vind ik bijvoorbeeld geweldig in hoe hij over vrouwen schrijft. In heel simpele, directe beelden die wel zo origineel zijn dat ze direct blijven hangen. Het zoeken van die beelden is het grootste artistieke genot.’
Een voorbeeld waar hij trots op is? ‘Misschien vind jij het niets, maar ik schrijf ergens dat Eva’s ogen ergens zo groot en blauw zijn dat ze beschuldigend lijken. ‘Dat beeld heb ik trouwens gejat,’ lacht hij. ‘Uit een interview met de zangeres Fiona Apple in Rolling Stone.’
Verleidelijk is het niettemin. Net als de spanning van het liefdesverhaal, de vaart waarmee Blondeau schrijft en de knappe plot, waarin ook nog een mogelijk schandaal rond een Vlaamse minister een rol speelt. ‘Als je een roman schrijft over én liefde én terrorisme én de wereld zoals we die nu kennen,’ zegt hij ‘dan moet je hem wel lezersvriendelijk maken. Ik moet de lezer eigenlijk versieren.’
Zeker nu, want: ‘Je eerste boek is: kan ik het? Je tweede boek: mag ik het?’ Van zijn collega Christiaan Weijts mag hij, getuigde diens citaat op de achterflap, in elk geval: ‘Zeer sporadisch verschijnt er in ons land proza dat de Hollandse grenzen magistraal overschrijdt. Donderhart van Thomas Blondeau is zo’n boek: groots van stof, gul van taal, gevat en geleerd.’