Menselijke Twin Towers

Dirk-Jan Arensman ,

Laat de aarde draaien is een caleidoscopisch verhaal over outcasts in New York in de jaren 70, maar tevens een metafoor voor ‘9/11’ en nieuwe hoop dankzij Obama. Colum McCann komt ermee weg.

‘Het eerlijke antwoord,’ zegt Colum McCann (1965), ‘is dat ik het écht niet weet.’ De vraag: waarom hij zijn literaire zoeklicht toch zo vaak richt op wat je de uitgestotenen zou kunnen noemen? Dat deed hij in zijn roman This Side of Brightness (1998), waarin hij het bestaan beschreef van de zwervers die de metrotunnels van New York bewonen. Hij deed het in Zoli (2006), waarin hij het verhaal vertelde van een zigeunerdichteres die in het Tsjecho-Slowakije van de jaren ‘30 uit haar gemeenschap werd verbannen. En in zijn onlangs met de National Book Award bekroonde Let the Great World Spin (Laat de aarde draaien) doet hij het opnieuw.
Een caleidoscopisch verhaal is het. Groots en gedurfd van opzet, geschilderd op het breedste canvas dat hij kon vinden. En, ja, het centrale beeld dat als een refrein door de roman loopt en alle personages erin losjes met elkaar verbindt, steekt hoog boven alles en iedereen uit: de legendarische wandeling die evenwichtskunstenaar Phillipe Petit op 7 augustus 1974 maakte over een koord tussen de twee torens van het WTC in New York.
Hij beschrijft hem in al zijn lyrische pracht.
‘Maar,’ zegt hij ‘het ging me er vooral om dat de lezer vanaf dat hoogste punt naar beneden duikt, zo laag als je maar kunt komen in de stad. Tot je uiteindelijk uitkomt bij een vervallen appartementencomplex in The Bronx, waar twee zwarte meisjes hun huis uit worden gevoerd. Een klein, anoniem moment dat misschien wel net zo mooi en grootst is als die spectaculaire kijk-mij-eens-act van Petit.’ Onderweg leert McCann je ondermeer tippelende hoertjes kennen en een Ierse semi-monnik die als beschermheer optreedt voor ‘the whores, the hustlers, the hopeless’. Kortom: mensen die zich zullen herkennen in die songregel die McCann hier én in This Side of Brightness citeerde: ‘I’ve been down so long, I feel I’m looking up at down.’

Frank McCourt
Hij zou verhalen kunnen verzinnen over zijn moeilijke jeugd om die fascinatie te verklaren. ‘Maar ik ben opgegroeid in huis met vier slaapkamers in een keurige buitenwijk, waar het gazon altijd netjes gemaaid was. Mijn vader kwam, ook al werkte hij bij een krant, elke dag nuchter thuis en mijn moeder sneed de korstjes van mijn boterhammen. En toch was, toen ik als journalist begon te werken, een van de eerste dingen die ik inleverde een enorm artikel over mishandelde vrouwen in de armste wijk van Dublin. Ik weet nog dat ik volkomen werd overvallen door het feit dat een paar kilometer van mijn huis een compleet ander universum bestond. Heroïnenaalden in de lift, kinderen die lijm snoven...’
Achteraf verbaast het hem dat hij als broekie van zeventien überhaupt met die vrouwen durfde te praten. ‘Ik was doodsbang. Maar tegelijkertijd voelde ik dat ik op een goede plek was om verhalen te vinden.’
Hij laat een foto zien van zijn goede vriend Frank McCourt (1930-2009) die hij sinds diens dood afgelopen juli met zich meedraagt. ‘Frank schreef, zoals hij zelf zei, over zijn “miserable Irish- Catholic childhood”, en ik heb lang gedacht dat een gelukkige jeugd het ergste is dat je als schrijver kan overkomen. Ik moest de wereld in, mezelf op een bepaalde manier verwonden en zorgen dat ik de polsslag van die wond kon voelen; begrijpen hoe het was om “de Ander” te zijn. Maar misschien is dat in andere huiden kruipen inmiddels juist mijn kracht.’
Het idee voor Laat de aarde draaien kreeg McCann, die al jaren in New York woont, niet lang na de aanslagen van 11 september 2001. ‘Het is moeilijk om destijds in de stad te zijn geweest, en er níet over te willen schrijven,’ zegt hij. Zeker als je, zoals hij, een schoonvader hebt die op die dag maar ternauwernood aan de dood ontsnapte in de eerste toren die geraakt werd. ‘De vraag was alleen: hoe?’
‘Je kunt het doen zoals Don DeLillo in Falling Man: pats, er middenin. He has the fucking dust falling on the first page! Een briljant boek. Maar ik wilde er via een achterdeur instappen.’

Activistische priester
Die achterdeur vond hij dus in de jaren 70, in de wandeling van Petit. ‘Dat leek me het meest voor de hand liggende beeld. En dat bleek ook wel, want inmiddels is er ondermeer een Oscarwinnende documentaire over verschenen, Man on Wire. En The New Yorker zette er bij het vijfjarige jubileum van ‘9/11’ een tekening van op de cover.’ Maar al gauw werd zijn oog vooral getrokken door de New Yorkers die vanaf het trottoir toekeken.
Dat hij wilde schrijven over geloof, van je geloof vallen en seksualiteit én een Iers religieus personage (‘En nou eens niet een priester die kleine jongetjes lastigvalt, maar iemand die echt en eerlijk en goed was’), bracht hem Corrigan, die vagelijk gebaseerd is op de activistische priester Daniel Berrigan. ‘En terwijl ik hem volgde, begon hij me als het ware voor te stellen aan anderen. Aan de hoertjes die hij onder zijn hoede nam. Het was alsof hij zei: “Kom maar met me mee. Ik weet dat je denkt dat ík interessant ben, maar deze meisjes zijn pas écht interessant.”’
Tillie bijvoorbeeld, een tippelende oma-van-achtendertig die McCann een paar schitterende monologen gaf. Haar stem vinden was hard werken, knikt hij. ‘Ik heb foto’s en filmbeelden bekeken, alle memoires en oral histories uit de jaren '70 gelezen die ik kon vinden. Ik ben met agenten de straat op geweest en heb dozen en dozen met strafbladen doorgenomen.’ Zes maanden was hij bezig, maar Tillie wilde maar niet geloofwaardig tegen hem praten. Tot hem op een avond één zinnetje te binnen schoot. ‘The skinnies dog I ever seen is on the side of the Greyhound buses.’ ‘Aha, dus zó praat je! dacht ik toen. Ik zei tegen mijn vrouw dat ik even iets op moest schrijven, en een kwartiertje later tikte ze me op mijn schouder. Alleen was het geen kwartier maar uren later. Vijf uur ’s nachts, en ik had bijna een heel hoofdstuk af.’

Sprong
Tillie’s dochter Jazzlyn komt overigens, samen met Corrigan, om bij een auto-ongeluk. Wat een daverende plot spoiler lijkt, maar onmisbaar is voor het praten over de ‘9/11’-metafoor die het boek óók is.
‘Als mensen het willen lezen als de beschrijving van een dag in 1974, prima. Dan is het hopelijk gewoon een goed verhaal dat je hart een beetje breekt, je aan het huilen en aan het lachen maakt.’
Maar je kunt Corrigan en Jazzlyn ook beschouwen als menselijke Twin Towers. Zoals je bij de welgestelde Claire, die rouwt om haar in Vietnam gesneuvelde zoon, kunt denken aan de oorlog in Irak. En in de phone freakers, die vanuit Californië een telefooncel in New York hacken en zo live verslag krijgen van Petits stunt, een voorafspiegeling zien van de wereld die in 2001 via televisie en internet meekeek. Het klinkt gewrocht, maar tijdens het lezen voelt het geen moment zo. Je wilt zelfs met McCann meegaan als hij in de sprong, die hij in het laatste hoofdstuk naar 2006 maakt om te laten zien hoe het een van Jazzlyns dochters is vergaan, een sprong naar de optimistischer tijden van Barack Obama wil zien. ‘Toen ik begon te schrijven, was ik ontzettend boos en teleurgesteld over wat er, in de nasleep van 11 september, gebeurde met Amerika. De paranoia en wraakzucht van de regering-Bush. Maar hoe verder ik kwam, hoe meer ik me realiseerde dat dit boek zou draaien om a moment of healing.’ Een hoopvol moment, zoals ook het ook hoopvol is dat ‘bij alle hebzucht, conservatieve bullshit, homohaat en noem het maar op, in Amerika nog steeds een briljant, empathisch en fatsoenlijk iemand als Obama boven kan komen drijven’.