Ton in Friesland

Katja de Bruin ,

Hooien, schaatsen en zelfs kaatsen – Ton van Dijk doet het allemaal. De voormalige Amsterdamse ‘asfaltjunk, kroegtijger en cokesnuiver’ getuigt ervan in zijn boek 'Ons Dorp, Leven als God in Friesland'.

Er was een tijd dat Ton van Dijk naar bed ging, de wekker op half vier zette en dan de stad in ging. Op zoek naar schimmige types in duistere kroegen die hem wellicht aan een goed verhaal konden helpen. De verslaggever Van Dijk was een straathond. Hij schreef over politiecorruptie in Amsterdam, de Lockheed- affaire en zwart geld bij Philips. Maar ook over moorden in Lichtenvoorde en Sneek. Over de moord van Richard Klinkhamer op zijn vrouw. En, misschien wel zijn meest geruchtmakende stuk, over de boekendiefstal van Michaël Zeeman in Leeuwarden. Hij werd hoofdredacteur van Nieuwe Revu, waar ze na zijn vertrek nog jaren werk hadden zich te ontworstelen aan zijn succesvolle credo ‘tieten of nieuws’. Geen wonder dus dat Panorama ook wel wat zag in Van Dijk als hoofdredacteur. Het werd een fiasco.
‘Mijn leukste ongeluk,’ noemt hij het zelf. Want zonder de zak geld die hij bij zijn ontslag meekreeg, had Van Dijk nooit het huis kunnen kopen waarin hij nu alweer twintig jaar woont. Dat huis is een eeuwenoude, rietgedekte boerderij met 5000 vierkante meter grond, gelegen tegenover de kerk van Schingen. Een vlekje op de Friese kaart, ergens tussen Leeuwarden en Franeker. Veertig huizen, 58 mannen, 54 vrouwen. Daar woont Ton van Dijk, samen met zijn echtgenote Marianne. Hier heeft hij leren kaatsen, hij won zelfs een keer een krans tijdens de jaarlijkse kermispartij. Op de sloten en vaarten achter zijn land zie je met goed ijs slierten mensen naar Franeker rijden. Rugzak op, even naar de bakker. Met stevige oostenwind stapt hij zelf op ‘om een eind te krabbelen’ en dan laat hij zich verderop in de stadherberg weer ophalen.
Nu hij 66 is, draait de bv Van Dijk niet langer op volle toeren. Geen stukjes meer voor de Vara-gids of Kassa Magazine, geen cursussen meer voor journalistiekstudenten. Maar nog wel een ‘columpie’ in Ook. Ook? Ja, een tijdschrift voor opa’s en oma’s over kleinkinderen. Van Dijk heeft er zeven, dus daar kan hij best af en toe een ‘stukkie’ over tikken. En nu dus dat boek. Nooit eerder schreef hij ‘zomaar’ iets. Zonder deadline, zonder vastomlijnd idee. Een paar jaar geleden maakte hij op verzoek van Ad Franssen voor HP/De Tijd een verhaal over zijn leven in Friesland.
‘Gewoon, in drieduizend woorden vertellen hoe het is om hier te wonen, leuke opdracht.’

Café Groen
Dat stuk resulteerde uiteindelijk in een boek: Ons Dorp, Leven als God in Friesland. Een boek waarin Van Dijk teruggaat naar 1972, toen hij in Ried, een dorpje zes kilometer verderop, voor 12.000 gulden zijn eerste Friese huisje kocht. Jarenlang kwam hij er in weekenden en vakanties en raakte hij vertrouwd met het leven op het Friese platteland. Daarbij in niet geringe mate geholpen door het feit dat tegenover zijn huis het legendarische café van Piet Groen stond. De stoet aan bonte figuren die in zijn boek voorbij komt, ontmoette hij aan de stamtafel. Tjip, bijgenaamd Orandus de Vries, die urenlang kon oreren en die tijdens zijn maandelijkse bezoek aan het bordeel aan de Rijksstraatweg zijn klompen uitdeed maar zijn pet ophield. Piet Iglo, die zijn bijnaam dankte aan de diepvriesmaaltijden waarop hij leefde. Cor Túnslang, die zo mager was als een tuinslang, en Sytze de Dakzitter, die ooit 500 gulden en een vermelding in het Guiness Book of Records verdiende door veertien dagen op het dak van café Groen te blijven zitten. Sytze, die uit jaloezie het huis van zijn vriendin in de fik stak en er op een campingstoel naast ging zitten om, zoals Van Dijk schrijft, ‘van het vlammenspel te genieten totdat de politie hem inrekende.’ Dezelfde Sytze ook die zijn middelbare, goed in het vlees zittende vriendin als escort aanprees in café Groen, terwijl ze er zelf naast zat te lonken. Die Sytze belde Van Dijk vorige week op. Hij had gehoord dat hij in een boekje kwam. En wat kwam er dan zoal over hem in te staan? Even brak Van Dijk het zweet uit. Die brand, kwam die erin? Mooi! En die vriendin? Mooi! Dat boekje moest ie hebben!
‘Het was een ongelofelijk café,’ vertelt Van Dijk, ‘zoals je ze maar zelden tegenkomt. Ik woonde er twintig meter vandaan. Het was onze telefooncel. Ik zat geregeld mee te lullen aan de stamtafel. Mijn bijnaam was al snel Aagje. Zo’n café is een rijke bron voor iemand die nieuwsgierig is. Waarom er nu weer deze tarwe werd gezaaid. Hoe het met de aardappelen ging. Wat de melkprijzen waren. Ik wilde alles weten. Maar ook wie wie was. Van wie is dat er een? Waar woont die? Zo kom je een hoop aan de weet in zo’n kroeg. Ik ben altijd een detailfreak geweest en ondanks het feit dat ik wel een borrel lust, is mijn geheugen nog vrij aardig. ‘
Dat kwam hem voor dit boek goed van pas. Hij schrijft over zijn dorp en de mensen die er wonen zonder het dedain dat Amsterdammers vaak hebben voor plattelanders, zelfs als ze er tussen wonen.

Velp en Geldrop
‘Aan al die Amsterdammers die denken dat buiten Amsterdam alleen maar boeren wonen, vraag ik graag waar ze geboren zijn. Dan moeten ze schuchter toegeven dat ze in Velp geboren zijn, of in Geldrop. Zij zouden hier niet dood gevonden willen worden, maar ik betrap mezelf erop dat ik soms met een zekere superioriteit vertel over mijn leven hier. Alles wat jij hebt, heb ik ook, maar ik heb er nog wat bij. Ik voel me bevoorrecht. Natuurlijk, die stad zit in ons hart. We zijn er allebei geboren en getogen. Maar die stad is er toch nog? We eten graag een broodje op de Dappermarkt, maar ik ben ook altijd blij als we weer voorbij Hoorn zijn. Ik mis het niet hoor, dat drukke, jachtige stadsleven. Het is echt zo dat mensen op het platteland minder haast hebben en dat slaat op je over. Als we ouder worden, zullen we dit huis op moeten geven, want het is veel werk. Dan zou ik best in een appartement in Harlingen willen wonen, uitkijkend over zee. Daar zie ik mezelf wel zitten.’