De chroniqueur van Brüsel

Oliver Kerkdijk ,

Eens moest het er van komen: een Brussel-historiegids geïllustreerd door François Schuiten. Vanuit zijn zolderatelier zwerven we met de tekenaar door zijn stad.

Verlaten ligt de stationsbuurt van de Noord-Brusselse deelgemeente Schaerbeek er deze novembernamiddag bij. Lege tram- en bushaltes, het café schuin tegenover het station donker. Langs de lanen, op de trottoirs en pleintjes: niemand. De enige aanwezige is de herfst. Onverbiddelijk snerpt de wind door sprietig slapende bomen, fluit in spelonkige portieken.
Wandelend door deze wijk, eind negentiende eeuw de vers geprepareerde enclave der gefortuneerden uit de benedenstad, passeer je de ene na de andere elegante art-nouveaugevel. Asgrauw en zwaar leunt de najaarshemel op de daken. Voorbode van de zondvloedachtige regenval – de hevigste in meer dan vijftig jaar – die in de avonduren zal aanvangen en niet louter Brussel, maar heel België dagenlang zal ontregelen.
Brussel/Bruxelles. Metropool van vergeten uithoeken, levende metafoor voor een gespleten staat, nationaal anker tegen wil en dank. Ouderwets voornaam en volks krakkemikkig, charmant in al zijn zotte wanorde. Welkom in de geboorte- en woonplaats van François Schuiten, jaargang 1956. Gelauwerd stripmaker met feilloos compositiegevoel en hyperelegante lijnvoering herinnerend aan gravures en oude boekillustraties. Illustrator, ontwerper van theater- en filmdecors. Verfraaier van bijzondere gebouwen en openbare ruimtes, beschermheer van Brussels stadserfgoed. Alleen iemand met zo’n virtuoze tekenpen, bevlogenheid en weidse horizon in de geest kan de vormgever zijn van een stripverhalencyclus zo fascinerend en ruimtelijk als Les cités obscures/De duistere steden. Sinds 1983 bouwt Schuiten, in vaste tandem met scenarist en jaarganggenoot Benoît Peeters, aan deze unieke reeks in de geschiedenis van het stripverhaal. In hun voortgaande kroniek over een parallel urbaan universum van retro- futuristische grandeur zijn de titels al evocatief. De koorts van Urbicande. De archivaris. De theorie van de zandkorrel. De onzichtbare grens. Steevast speelt stedenbouwkunst een hoofdrol, niet verwonderlijk voor een tekenaar die opgroeide in een architectenfamilie.

Bulldozerbarbarij
Een kroonjuweel in de serie is Brüsel (1992), over een geëxtrapoleerde incarnatie van de Belgenhoofdstad. Deze striproman is voortgekomen uit Schuiten en Peeters’ eensgezinde woede over de achteloze verminking van Brussel. Aan het deprimerende fenomeen van onteigening en destructie in het kader van ongecontroleerde stadsmodernisering dankt de urbanistiek de weinig flatteuze term bruxellisation. Sinds halverwege de negentiende eeuw houden megalomane technocraat- bestuurders en projectontwikkelaars zonder scrupules huis in Brussel. Zoveel moois heeft er in naam van ‘de vooruitgang’ het leven gelaten dat het droef stemt. Kapitale blunder was de overwelving, tussen 1867 en 1871, van de rivier de Zenne, die zich van zuid richting noord door de stad slingerde. Triomf van de vooruitgangswaanzin, burgervaderarrogantie en anti-esthetiek. Recenter ging een fors deel van de oude Noordstationwijk tegen de vlakte voor een kantoortorenwoestenij. Met hun kille spiegelglaspantser herinneren de staal-en-betongedrochten aan dat treffende zinnetje uit het klassieke Rush-nummer ‘The camera eye’: ‘the buildings are lost in their limitless rise’.
Lokaal vechten echter steeds vaker Brusselerfgoedverdedigers middels procedures, media en restauratieprojecten, voor hun gelittekende stad. Sinds jaren verheft François Schuiten, inmiddels als baron in de adelstand verheven, zijn stem contra de bulldozerbarbarij. Dus wie kon de door Lonely Planet/Casterman uitgegeven stadswandelingengids Bruxelles – Itinéraires/Brussel – Routes nu beter illustreren dan hij? Meer dan 200 tekeningen sieren het boek, deels eerder gepubliceerde en deels nieuwe. In zijn zolderatelier, met boekenkasten langs drie wanden en panoramisch dakvensteruitzicht over Schaerbeek in de naderende schemering, nestelt de boomlange meestertekenaar zich in een van de twee fauteuils. Bedachtzaam strijkt hij met een hand door zijn grijswitte vijftigerskuif. ‘Steeds weer probeer ik de stad te begrijpen,’ begint hij. Jim, de koolzwarte golden retriever die sinds enkele maanden het huishouden verrijkt, dartelt enthousiast rond de meegebrachte chocolaterieën. Even pauzeert Schuiten. Hij fluistert in het oor van de jonge spring-in-het-veld, die gedwee gaat liggen. Dan vervolgt hij zijn overpeinzing.
‘Veel plekken heb ik opnieuw leren kennen. Ook werd ik gestimuleerd om locaties te tekenen die ik niet eerder op papier had vastgelegd. Christine Coste [de Franse journaliste die alle gidsteksten schreef] heeft de wandelingen en détail uitgewerkt. Eindeloos heeft ze gelopen, geklommen, gespeurd, ontdekt. Aan het eind van de dag zocht ze me dan hier in mijn atelier op, want daar brandt de kachel.’ [Lacht.] ‘En stadsgidsen hebben natuurlijk normaal gesproken foto’s. Dus vroeg ik me af: kan een tekening iets transporteren dat een foto niet kan? Kan hij de nieuwsgierigheid opwekken? Dat was de inzet.’

Lange adem
Bij alle inktlijntjesbetovering van Brussel – Routes en De duistere steden klinkt vaak Schuitens verontwaardiging door over de respectloze behandeling van het tastbare Brusselse stadsverleden. ‘Verontwaardiging, perfect verwoord! Neem de Europese wijk, het monster dat een deel van de binnenstad heeft verslonden. Een opgave om dat ooit nog te repareren. Het is ook nog ’s in stukjes ontstaan, zonder enige langetermijnvisie op stadsplanning.’ Mismoedig en boos tegelijk schudt hij z’n hoofd. ‘Men dreigt nu zelfs het Palais de Justice, dat monument met zijn onvervreemdbare functie, een andere bestemming te geven. Dat kan natuurlijk niet: zulke bouwwerken zijn emblematisch. Je kunt er niet om het even wat mee doen.’ Voor hun verzet tegen de blinde historiedemontage hebben citoyen Schuiten en zijn medestanders evenwel een lange adem nodig. ‘
Een kernprobleem van Brussel is zijn bestuurlijke ondoorzichtigheid, z’n fragmentering. Gewest, regio, deelgemeente, ambtelijk labyrint, taalprobleem, de cultuurtegenstellingen tussen Walen en Vlamingen: je verdwaalt erin. Daardoor zien bepaalde lieden steeds opnieuw de kans om slinks hun projecten door te drukken zonder dat men tijdig het catastrofale effect ervan inschat. Brussel is een stad die niet voldoende geliefd is. De Vlamingen houden niet van de stad, de Walen evenmin. En de echte Brusselaars…’ Zijn blik dwaalt richting de tekentafel bij het raam. ‘Merkwaardigerwijs voel ik me zeer Vlaams, al blijft mijn kennis van de taal gelimiteerd. Vaak voel ik me ook ‘’naast’’ de dingen. Dat is wel typisch voor veel geboren Brusselaars. Overigens komt mijn familie oorspronkelijk uit Groningen. Toen ik meedeed aan de ontwerpwedstrijd voor het Groningse stripmuseum ontdekte ik bovendien dat mijn betovergrootvader in die stad portretschilder was.’

Verhalenverteller
Dat onverschilligheid in stadsbeheer en monumentenbehoud deels wortelt in een gênant gebrek aan cultuurbesef bij politici, beaamt Schuiten volmondig: ‘O zeker. Cultuur zou bovendien een prioriteit moeten zijn in de eu-constructie, maar ook daar ontbreekt het totaal aan ambitie en visie. En weet je, wij Belgen zijn een beetje de bastaarden van Europa. Hier in Brussel schuiven de oerplaten vaak over elkaar heen, daarom zijn ook alle bouwstijlen door elkaar gehusseld. Spaans, Frans, Nederlands. Ook de samenstelling van de wijken is eclectisch, vaak weet je niet waar je je bevindt. Toch houd ik van die chaos, er liggen zoveel wonderlijke zaken in verborgen. Heerlijk voor een verhalenverteller.’
Terwijl Jim zich tegoed doet aan een paar sokken komt het gesprek op Brüsel. Kan kunst eigenlijk iets bewerkstelligen? ‘Benoît en ik hebben niet de pretentie dat zo’n aanklacht in stripvorm iets ten positieve verandert. Niettemin is er een bewustwording gaande. Respect voor de historie van deze stad gaat steentje voor steentje. Toen een mevrouw hier in de straat de muurschildering van haar artnouveaupand had laten restaureren complimenteerde ik haar met de hoge kwaliteit van het werk. Wat bleek? Ze was fan van het album De muren van Samaris [openingsverhaal uit De duistere steden-cyclus waarin façades en optische illusie een centrale plek innemen]. Dat verhaal had haar geïnspireerd.’
Schuitens eigen geslaagde publieke reddingsproject is het Maison Autrique. Samen met Benoît Peeters spande hij zich in voor behoud van dit pand, ontworpen door de visionaire art-nouveauarchitect Victor Horta. Op hun aandringen verwierf de Belgische staat het gebouw en de tuin erachter, in hun Schaerbeekse achterstandsbuurt aan het verval en de vergetelheid overgelaten. De door Schuiten en Peeters tot in de obsessieve puntjes gemonitorde restauratie werd vastgelegd in een boek. Sinds 2004 fungeert het huis op 266, chaussée de Haecht als museum. Daar wordt ook documentatie geëxposeerd over het Maison du Peuple, Horta’s art nouveau magnum opus. Architectuurmeesterwerk of niet, de multifunctionele ontmoetingsplek naar socialistisch ideaal legde het slooploodje in 1965. De vooruitgang, u begrijpt.

Stijlvastheid
Ook op andere plekken in de stad tref je ‘Schuiten’ aan. Nabij de Grand Place, in de rue du Marché au Charbon op een smalle uitstekende muur tegenover het politiebureau, is het Schuiten-fresco ‘Le passage’ te bewonderen. Strak, verticaal. Een atypische luchtspiegeling binnen de Brusselse stripmurenroute gewijd aan de rijke geschiedenis van het Belgisch beeldverhaal.
Het metrostation Porte de Hal, op het zuidpunt van de oude ring die Brussel-stad scheidt van deelgemeente Saint-Gilles, herbergt een vervlechting van fresco en bas-reliëf. Aan weerszijden van ‘Le passage inconnu’, een driedimensionale fantasie rechtstreeks uit De duistere steden, springen twee oude toestellen van tramlijnen 55 en 81 uit de muren. Een knipoog naar het ongerijmde, inherent aan deze stad. Fier is Schuiten zelf echter meer op zijn ontwerp van het metrostation Arts et Métiers in het derde arrondissement van Parijs. Daar op die ondergrondse perrons waant de reiziger zich in een Jules Verne-achtige sciencefictioncoulisse. Bevindt hij zich in de voor altijd verzonken Nautilus? In een antiek ruimteschip uit een zwijgend filmpje van Georges Méliès?
‘Van begin tot eind was ik bij de vormgeving betrokken, bij ieder minuscuul detail,’ vertelt Schuiten. ‘Alleen zo creëer je stijlvastheid, een identiteit. We discussieerden bijvoorbeeld een hele namiddag over de kleur van de afvalbakken. Men wilde geel, maar dat dat vond ik een ramp. Koperkleurig moesten ze zijn, natuurlijk! Waarom geel, vroeg ik. Dat is de kleur van de netheid, was het antwoord. [Heft de handen ten hemel.] Twee jaar later hebben ze geel in groen gewijzigd,’ grinnikt hij. ‘Dat was toen ineens de kleur van de netheid.’

Mooie pakjes
De laatste jaren is François Schuiten vaker actief als decorontwerper – voor theater, film, dansvoorstellingen, opera en operette, noem maar op. ‘Steeds meer word ik vooral door de bühne aangetrokken. Uitleggen kan ik het niet, maar er is voor mij een rapport tussen decorontwerp en stripverhaal. Af en toe doe ik film, zoals momenteel voor de Canadese sciencefictionproductie Mars et Avril.’
Zijn eerste profschreden op het pad van production design en kostuumontwerp zette Schuiten samen met scenarist Claude Renard in 1983 bij Gwendoline van Just ‘Emmanuelle’ Jaeckin. Inmiddels heeft de adaptatie naar de vintage sm-pulpcomic van John Willie cultstatus. Schuiten schiet in de lach. ‘Mijn herinnering aan Gwendoline? Fraaie meisjes! We hadden ook mooie pakjes voor hen ontworpen, alleen gingen die zo snel uit. [Grinnikt.] Ik was ook op de set, in een verlaten fabriekscomplex aan de rand van Parijs. Het was een ervaring, een avontuur. Ze hadden de decors exact zo gebouwd als wij ze hadden getekend, de dimensies ervan waren hallucinant. Maar toen ontdekten Claude en ik in een aangrenzende hal verwaarloosde machines en een enorme verwarmingsketel. Versmeerd, verroest, geweldig! En we zeiden tegen elkaar: dit is het juiste decor, zoveel beter dan wat wij bij elkaar hebben verzonnen. Onze decors waren vals – dit was geschiedenis, het had een ziel. Helaas zagen de makers dat anders en deden ze er niets mee. Niettemin herinner ik me Just als een prachtkerel, un original.’
Bij al zijn bewierookte excursies naar andere artistieke stratosferen voelt François Schuiten zich volstrekt geen ‘officiële’ kunstenaar. ‘Ik ben tekenaar, verhalenverteller, decorontwerper, illustrator, stripmaker. Hergé, E.P. Jacobs, Franquin, Maurice Tillieux, Milton Caniff, Alex Raymond – dat is de familie waartoe ik behoor en ik ben er trots op. Verwant voel ik me met tijdgenoten als Joost Swarte en François Avril, tekenaars die ik ook als mensen hogelijk waardeer.’

Fantastiektraditie
Ondertussen is viervoeter Jim aan het rondspringen. ‘Je werkt me op de zenuwen,’ moppert Schuiten tegen de hond, maar de affectie valt niet te loochenen. Inmiddels zijn ver beneden de straatlantaarns ontstoken. Regendruppels roffelen op de daken van Schaerbeek bij avond.
Welbeschouwd, merk ik op, zet Schuiten de lijn voort van de Belgische fantastiektraditie. Verpersoonlijkt in literatoren als Jean Ray, Johan Daisne, Hubert Lampo. In schilders als Spilliaert, Delvaux, Wiertz, Khnopff, Ensor, Magritte. In animatiepionier Raoul Servais. Magisch realisten, symbolisten, fantasten, utopisten – dromers in de tegenstroom van de koele zakelijkheid. ‘Ah, dat doet me nu plezier!’ veert de tekenaar op. ‘Weet je dat ik me van mijn plek in die traditie pas rekenschap heb gegeven toen ik met Servais werkte aan zijn animatiefilm Taxandria? Ja, in die lijn hoor ik zeker thuis. Ah, en Magritte… [Peinst.] Die lichtval en vervreemding. Het zonderlinge van de realiteit in zijn werk ontroert me enorm.’
Wanneer we de verbinding leggen met het fameuze Waalse stripverhaalverleden, zegt Schuiten dat verleden hoog te waarderen, maar niet nostalgisch te zijn. ‘De glorietijd is tot stilstand gekomen aan het eind van de jaren zestig. Je had de stripbladen, Robbedoes, Kuifje. Er was een esprit. Mensen als Jijé, Morris, Franquin en Will bedachten samen dingen. Ze tekenden in dezelfde ruimte, inspireerden en beïnvloedden elkaar direct. Dat is voorbij. De wereld veranderde, de Waalse strip eveneens. Nu valt er nog nauwelijks een geografische identiteit, een “school” vast te stellen. Zoveel stromingen lopen parallel. Zoveel nationaliteiten werken samen, soms ver van elkaar. Het Institut Saint-Luc [vermaarde Brusselse kunstacademie waar Schuiten les had] werd begin jaren tachtig de voorpost van de “wereldstrip”. Die kent vaak geen specifieke plaats van herkomst meer. De tijd van Franquin en Hergé komt nooit terug, alles is te diffuus geworden. Maar je vindt tussen de stapels pulp ook overal hoge kwaliteit.’

Spoorwegmuseum
Aan hoge kwaliteit zal het ook in het komende verhaal, speels getiteld La Douce et la 12, niet ontbreken, getuige de prachtige geïnkte platen die Schuiten plotseling uit een lade tevoorschijn haalt. Aan zijn tekentafel geeft hij tekst en uitleg. ‘Het woordspel in de titel zal lastig te vertalen zijn, denk ik. Het verhaal gaat over de intense band van een treinmachinist met “zijn” stoomlocomotief. Indertijd was er een organische verhouding tussen machinist, zijn bijrijder en de loc. Omdat Benoît verdiept was in zijn biografie over de Franse filosoof Jacques Derrida [inmiddels verschenen bij Flammarion], heb ik het scenario alleen geschreven. Waarom ik voor dit verhaal heb gekozen? Enerzijds wil ik geen Duistere steden-boek maken zonder Benoît. Anderzijds werk ik parallel aan de vormgeving van het Spoorwegmuseum dat in het Schaerbeekstation wordt gehuisvest. Daarvoor moet ik volledig in de materie verzinken, de strip helpt me daarbij. Werk je twee, drie jaar iedere dag aan een project, dan moet het noodzaak zijn, een kwestie van leven of dood. Enfin, ik chargeer, maar je begrijpt wat ik bedoel.’
Wijzend op de schaalmodellocomotief met het nummer 12 die links op de tekentafel staat gerangeerd, memoreer ik de openingsscène van de ultieme stoomtreinfilm: Jean Renoirs La bête humaine uit 1937. Daarin dendert de roetbesmeurde Jean Gabin met zijn eeuwig peukrokende co-machinist voort op het tracé Parijs-Le Havre. Stoïcijns de locneus richting einder, metaal op metaal. Nauwelijks dialoog, onvergetelijk naturalisme – grootse cinema en adembenemend tijdsbeeld tegelijk. ‘Voilà, exact!’ roept Schuiten uit, het vuur in de ogen. ‘Wat een ouverture, niet? Het is allemaal zo… juist. Dat begin heb ik inmiddels zo’n dertig keer gezien. Ik moet naast de machinist staan, de kolen en ’t zweet ruiken, het kabaal horen.’ Hij tikt op de elegant gedetailleerde stoomloc naast de pennen, penselen en inktpotten. ‘Dagelijks kijk ik naar dat object en raak geïnspireerd. De echte locomotief waarnaar dit model is vervaardigd komt in het Spoorwegmuseum te staan.’
Waarmee deze trein, na een reis van enkele uren die als één stoomstreep is voorbijgevlogen, zijn terminus bereikt. In de bibliotheek enkele etages lager drukt François Schuiten me zeldzame uitgaven van zijn werk in de handen. ‘Niet tegenstribbelen, jij houdt van boeken,’ is het laconieke commentaar. Jim kwispelt er vrolijk bij. Op het geluid van de zware huisdeur die na het afscheid achter me in het slot valt, volgt een ogenblik van lichte desoriëntatie. Dan besef ik dat ik onmiddellijk de paraplu moet opsteken: in stromen daalt de regen inmiddels op Schaerbeek neer. En route dan maar. Onwerkelijk verlaten zijn de glimmende straten, waarop karig straatlantaarnlicht slechts zwak reflecteert. Op het regendruppelgekletter na is het amper verlichte treinstation stil. Zonder passagiers en spoorwegpersoneel oogt het verloren, ietwat spookachtig zelfs. Zouden hier ooit nog wel treinen stoppen? Of ben ik onderweg ongemerkt een doek van Magritte of Delvaux binnengestapt, in een tijdsvacuüm beland?
Op het desolate perron herinner ik me een citaat van ‘urbatect’ Eugen Robick in De archivaris. ‘Ik kan de omweg via Brüsel niet genoeg aanbevelen,’ noteert hij, onderweg in de schaduwwereld van de Duistere Steden. Ja, dat moet dit zijn – een omweg. Rest, zoals wel vaker in het leven, de vraag waar de omweg eindigt en de eigenlijke weg begint. Tot die vraag is beantwoord blijven we, zoals de chroniqueur van Brüsel in zijn zolderatelier, zwerven, zoeken en ontdekken. Ginds, waar de rails in het nachtzwart verdwijnen, komt traag een noorderlicht naderbij.