Debutantenbal

Elja Looijestijn ,

Wie zijn de jonge auteurs die elkaar verdringen voor de poorten van de literaire wereld? We stellen u vijf debutanten voor – een van hen nog een tiener – van wie veel wordt verwacht.

Renske Jonkman (1982)

‘Toen ik net begon met schrijven, duurde het even tot ik de juiste toon te pakken had en de personages een stem had gegeven. Maar daarna schreef het boek zich eigenlijk vanzelf. Het gaat over het meisje Hazel, wier broer schizofreen wordt. Ik heb bouwstenen uit mijn eigen leven gebruikt. Zo heb ik schizofrenie ook van dichtbij meegemaakt en ben ik net als Hazel vanuit een dorp in Noord- Holland naar Amsterdam verhuisd. Maar ik heb ook heel veel uit mijn fantasie geput, zodat ik zelf in de loop der tijd ook niet meer precies wist wat nou echt was en wat niet. Dat komt in het boek ook aan bod: het gaat heel erg over de onduidelijke scheidslijn tussen normaal en gek.
Om mijn boek onder de aandacht te brengen heb ik, zogenaamd per ongeluk, hoofdstukken met correcties van mijn redacteur in de trein achtergelaten. Die stunt had ik zelf bedacht. Ik wil ook met een kleedje in het Vondelpark gaan zitten om mensen voor te lezen. Best wel eng, maar ik wil gewoon heel graag dat mijn boek door zoveel mogelijk mensen gelezen wordt.’

Zo gaan we niet met elkaar om. In juli verschenen (Nijgh & Van Ditmar)
 

Peter Zantingh (1983)

‘Ik heb altijd al schrijver willen zijn. Heel veel mensen zeggen dat ze ooit een boek willen schrijven en ik ben heel blij en trots dat het mij nu ook echt gelukt is. Er waren twaalf uitgeverijen die mijn boek wilden uitgeven. Uiteindelijk heb ik gekozen voor De Arbeiderspers, mede omdat zij mij meteen een contract aan- boden voor twee boeken.
Alle geïnteresseerde uitgeverijen zeiden dat ze mijn stijl mooi vonden. Ik schrijf in een nuchtere, Noord-Hollandse stijl, die wel aankomt, maar niet overdrijft. Met iets kleins beschrijf ik een groot verdriet, namelijk de zelfmoord van een vriend. Met sprekende metaforen en pakkende observaties breng ik over wat de hoofdpersoon beweegt.
Het was de eerste keer dat ik zo’n groot verhaal schreef en ik wist daarom ook dat ik het dicht bij huis wilde houden. Ik liep al jaren rond met het thema: een jongen verlaat zijn vertrouwde omgeving in Noord-Holland en dan gebeurt er iets ergs, waardoor hij weer terugkomt. Het verhaal is verder niet echt autobiografisch. De personages zijn verzonnen en ik heb ook nooit van dichtbij een zelfmoord meegemaakt. Dat betekent ook dat dit niet het enige verhaal is dat ik te vertellen heb. Dat tweede boek komt dus wel goed.’

Massih Hutak (1992)

‘Ik schrijf rapteksten, korte verhalen, recensies en interviews. Ik fotografeer en regisseer en ik treed op als rapper. Alles tegelijk willen, en allemaal nu, dat is mijn vloek en mijn zegen.
Toen God nog in ons geloofde is een bundel korte verhalen over jonge mensen die hun weg proberen te vinden. Het gaat over dingen die ik heb gezien, die ik van een andere kant belicht of omdraai. Er is bijvoorbeeld een verhaal bij over een Nederlandse man die met een moslimvrouw getrouwd is, waarbij de vrouw aan één stuk door vreemd gaat.
Mijn afghaanse afkomst speelt een belangrijke rol in mijn werk. Ik heb er ook twee verhalen over in het boek opgenomen, ‘De Afghanen deel 1’ en ‘De Afghanen deel 2’. Het eerste gaat over mijn hekel aan afghanen, maar eigenlijk blijkt eruit hoe ik vervreemd ben van mijn volk. Het tweede verhaal gaat juist over het heerlijke Afghaanse eten. Als je mijn werk leest, denk ik dat je het erg jong vindt. Ik heb nooit les gehad in schrijven. Het is brutaal, maar gaat wel over het dagelijks leven. Ongepolijst ja, dat is het goede woord.’

Alma Mathijsen (1984)

‘Ik schreef eerder al een verhalenbundel, maar dit is mijn eerste roman. Dat is moeilijker, want je moet in je hoofd precies in de gaten houden wat er gebeurt. Alle paarden die je uit de stal haalt, moeten ook weer terug.
Ik wist wat de kern van het verhaal moest zijn: hoe een grote liefde kan exploderen in je hoofd en doorgroeien tot iets wat helemaal niet meer bestaat. Hoofdpersoon Carmen ontstond toen al snel. Ik had iemand nodig die naïef was, maar zich ook ergens in kon vastbijten. Het lijkt misschien een raar meisje, maar voor mij is ze heel logisch. Sommige mensen springen liever in een sloot dan dat ze zich vervelen.
Ik ben net afgestudeerd aan de Rietveld Academie, richting Beeld en Taal. Het schrijven van het boek is een groot onderdeel van mijn opleiding geweest. Regelmatig las ik een hoofdstuk voor, dat ik besprak met mijn docent, Thomas Verbogt, en medestudenten. Ik heb ontzettend veel geschrapt en herschreven. Misschien vind ik het daarom zo moeilijk het boek los te laten. Op Manuscripta schiet ik het eerste exemplaar af met een kanon.’

Sidney Vollmer (1983)

‘Om in het hoofd van mijn hoofdpersoon Tom, een popmuzikant, te komen, ben ik als vrijwilliger gaan werken op het festival Into The Great Wide Open. Ook hield ik interviews met onder anderen De Staat en Tim Knol en ben ik veel met bandjes opgetrokken. Het werd een soort crashcourse in het rocksterrenleven. Ik kwam erachter welke clichés kloppen en leerde ook dat ik niet bang hoef te zijn dat ik een popmuzikant niet geloofwaardig neer kan zetten. Wat zij hebben had ik namelijk ook al. Dat is iets wat ik ‘omgekeerde honger’ noem: de drang om iets te creëren. Er moet af en toe iets uit, anders voel je je niet lekker. De familieverhoudingen zijn in mijn boek minstens zo belangrijk als de rock-’n-roll. De muziekambities van tom zijn ook een vlucht van het verdriet om zijn overleden vader. Zijn moeder vindt een nieuwe liefde via internet en steekt zo op haar manier haar kop in het zand. Ik kom uit de filmwereld en ik heb al verschillende mensen horen zeggen dat mijn verhaal schreeuwt om een verfilming. Dat komt denk ik doordat mijn schrijfstijl visueel is. Een belangrijke scène in het boek is zelfs al als een scenario geschreven.’