Een poëtische vrijstaat

Janita Monna ,

Orde en chaos heersen op het 42ste Poetry International Festival. Zowel thematisch, als in de praktijk. En zo hoort het ook op een waar poëziefestival, al zijn onverstaanbare dichters in Rotterdam inmiddels echt verleden tijd.

Bouwput, de derde dichtbundel van de beloftevolle Menno van der Staak, is net gepubliceerd en daarom is hij uitgenodigd voor het internationale poëziefestival ‘_ e World of Poetry’. Hij mag er optreden met andere dichters van wereldformaat als Torf Mölm uit Zweden en Don Flurry uit Amerika. Ook de Koreaanse Sun Moon wordt verwacht, ‘zo’n dichter die steeds opgesloten wordt, maar nu is hij even vrij. Niemand heeft een woord van hem gelezen, maar hij is aanbevolen door Joseph Brodsky dus hij moet wel goed zijn’. Menno, in een voortdurende staat van dronkenschap, gaat het werk van de Koreaan vertalen. Dat hij geen letter Koreaans leest, is geen bezwaar.
Zo ongeveer ging het er in de beginjaren van het Rotterdamse Poetry International Festival aan toe. Menno van der Staak mag dan een verzinsel zijn van Remco Campert, het boekje Ohi, hoho, bang, bang (1995) waarin Menno de hoofdfiguur is, is wel degelijk gebaseerd op Camperts eigen festivalervaringen. En vooral op de chaotische vroege jaren, toen er zonder al te veel kennis van zaken dichters van heinde en ver naar Rotterdam werden gevlogen. Het festival was een kleine, anarchistische wereld binnen de echte wereld. Een feestelijk rommeltje, of zoals dichter en betrokkene van het eerste uur C. Buddingh’ zei. ‘Die sfeer was er een van een echt “festival”, een feest dus.’ En wie kwamen er niet naar Rotterdam? Nobelprijswinnaars als Pablo Neruda, Octavio Paz, Joseph Brodsky, Seamus Heaney en Czesław Miłosz, evenals Breyten Breytenbach, Hans Magnus Enzensberger, en Tomas Tranströmer. Zuid-Afrikaan Gert Vlok Nel vertolkte er zijn liedjes lang voor hij in Nederland doorbrak, zoals de Russische Boris Ryzhy stomdronken in de havenstad zijn verzen declameerde toen nog niemand ooit van hem gehoord had. Nederlandstalige dichters als Remco Campert, Bernlef, Judith Herzberg en Willem van Toorn waren min of meer vaste medewerkers.

Anarchie
In de loop der jaren is het Poetry International Festival steeds verder geprofessionaliseerd. Kwam in de tijd van ‘Menno van der Staak’ een vertaler nog weleens met zijn vertalingen aanrennen als de dichter al op het podium stond, anno 2011 is dat ondenkbaar. Professionele vertalers krijgen ruim de tijd om het werk te vertalen. En een dichter staat zelden nog onverstaanbaar gedichten voor te dragen, want de vertalingen worden simultaan geprojecteerd.
Toch is de chaos die zo kenmerkend was voor die eerste festivaljaren, nooit helemaal verdwenen. En misschien is een milde vorm van anarchie wel kenmerkend voor poëziefestivals in het algemeen, als we tenminste de Filippijnse dichter Alfred A. Yuson mogen geloven. Hij schreef het droogkomische gedicht ‘World Poetry Circuit’ dat bestaat uit 25 genummerde regels die samen een blauwdruk geven van alle poëziefestivals:
11. The Poets Escape Their Hosts
16. The Poets Fuck One Another
22. The Poets Thank Everyone with Folk Songs
Specifiek voor Rotterdam voegde hij daar in 2004 aan toe: ‘16.c. The Poets Purchase Fine Homegrown at a Coffeeshop’.
Op poëziegebied brengt Poetry International voor elk wat wils. Er zijn hermeten en lyrici, traditionele dichters en experimentelen, en onder hen poëtische zwaargewichten en verlegen jonge talenten. Er komen dichters van over de hele wereld die hun talen spreken en er zijn dichters die slechts het Chinees beheersen.
Die ene week in juni is Poetry International een babylonische vrijstaat in Rotterdam, en bovenal het feest van de poëzie.

Festivalthema
Poetry International bestaat inmiddels 42 jaar, en is anders van opzet dan de voorgaande jaren. De opening van het festival is verschoven van de zaterdag naar de dinsdag. En behalve ’s avonds wordt er ook overdag volop geprogrammeerd: er zijn seminars, masterclasses en vertaalworkshops.
Onder de vlag ‘Chaos & Orde’ worden programma’s georganiseerd rond de vraag hoe mondiale maatschappelijke ontwikkelingen een plaats krijgen in de poëzie. Het thema is inherent aan deze tijd, waarin de roep om poëzie, die zich niet buiten de maatschappij plaatst maar daar middenin staat, steeds luider wordt.