Requiem voor oude waarden

Dirk-Jan Arensman ,

Willa Cather (1873-1947) was een fenomeen in de Amerikaanse letteren. Snel vergeten, in de jaren tachtig herontdekt. In de klassiekersreeks Cossee Century verschijnt nu haar onverwoestbare klassieker 'Een verloren vrouw' (1923).

Klassiekers zijn glibberige dingen, zo bewijst Cossee Century maar weer eens, de mooie reeks die de gelijknamige uitgeverij sinds een paar jaar aan het opbouwen is. Romans die in Amerika als modern classics worden beschouwd, zijn soms überhaupt nooit in het Nederlands vertaald of al decennia niet meer leverbaar. Schrijvers die tot het Pantheon der Groten behoorden, raakten sluipenderwijs vergeten. Zo introduceerde ‘Cossee Century’, naast Franse en Duitse titels, in 2009 met de prachtige kleine roman Tot ziens, tot morgen het ragfijne oeuvre van schrijver/ redacteur William Maxwell (1908- 2000), die als voorbeeld gold voor John Updike, Richard Ford en John Cheever. En de legendarische politieke thriller All the King’s Men (1946) van Robert Penn Warren (1904-1989) was tot drie jaar geleden ook nooit in Nederland verschenen. Wonderlijke omissies, fijne ontdekkingen.
Aan die reeks wordt nu Een verloren vrouw toegevoegd, de zesde roman van de in het zuidelijke Virginia geboren Willa Cather die, op allerlei manieren, een verhaal apart is. In haar dagen was Wilella Siebert Cather (1873-1947) een fenomeen in de Amerikaanse letteren. De befaamde criticus H.L. Mencken schreef ooit: ‘Geen enkele romantische roman in Amerika geschreven, door man of vrouw, is maar half zo prachtig als My Ántonia.’ Haar korte verhalen en romans werden als feuilletons in tijdschriften en in boekvorm verslonden door het grote publiek. En toen A Lost Lady in 1923 bij A. Knopf verscheen in de grootste opla- ge die die uitgeverij tot dan toe had gekend, had ze net de Pulitzer Prize gekregen voor haar vorige boek, One of Ours (1922). Een Grande Dame. Maar ook eentje wier roem snel vervlogen leek.

Schrijnend onrecht
A.S. Byatt doceerde al aardig wat jaren Amerikaanse literatuur toen ze voor het eerst een verwijzing naar Cather tegenkwam, bekende de Britse auteur en academica ruim vier jaar geleden in een artikel in The Guardian dat in Een verloren dame als nawoord is opgenomen. En toen ze in de jaren tachtig werd gevraagd voorwoorden te schrijven bij heruitgaven van haar romans, merkte ze dat ze niet de enige was die nauwelijks van haar had gehoord. De Amerikanen die sprak ‘kenden meestal alleen My Antonia, en zagen haar als een schrijfster die ze op school moesten lezen, gespecialiseerd in “couleur locale” van het pioniersleven’. En in de handboeken, zelfs specialistische over, pakweg, Amerikaanse modernisten die níet naar Parijs vertrokken, bleef ze stelselmatig ongenoemd. Een schrijnend onrecht, bleek. Waarover later meer.
De wortels van Cathers vergetelheid gaan ver terug. Al tijdens haar leven, in de jaren dertig, werd ze geleidelijk aan meer en meer als ouderwets beschouwd. Recensenten verweten haar bij het verschijnen van Lucy Gayheart (1935), een roman over een meisje dat haar prairiethuis achterlaat om een muzikale carrière na te jagen, ‘luie romantiek’ en een gebrek aan oog voor de contemporaine sociale problemen. En tot op zekere hoogte leek zelfs de schrijfster zelf het met hen eens, toen ze een jaar later schreef: ‘De wereld brak in tweeën in 1922, of daaromtrent, en de personen en vooroordelen die ik me herinnerde in schetsen, gleden weg in de 7000 jaar van gisteren.’
Ze leefde, kortom, in het verleden. Sterker: ze had in haar werk nooit anders gedaan. Het materiaal voor haar korte verhalen en romans, aanvankelijk geschreven tussen de bedrijven van een bloeiende loopbaan als tijdschriftredactrice en critica door, had ze allemaal geabsorbeerd voor haar vijftiende jaar, zei ze vaak. En dan vooral in de periode na haar achtste, toen ze vanuit het weelderige platteland van Virginia verhuisde naar de ruige vlaktes van Nebraska, het landschap dat haar eerst schokte en vervolgens voor het leven betoverde.
Daar ontmoette ze de Zweedse boeren op de Great Plains die ze impressionistisch bezong in O Pioneers! (1913) en de immigranten uit Bohemen van My Ántonia (1918).

Drank en jonge mannen
Het is ook het decor van twee van de drie tragedies waartoe Een verloren vrouw behoort. Centraal daarin staat het echtpaar Forrester. Hij een oude legerkapitein die zijn kapitaal maakte als spoorwegpionier; zij, Marianne, zijn elegante echtgenote die, als ze hun zomers in het plaatsje Sweet Water doorbrengen, het stralende middelpunt van de plaatselijke society is. In de ogen van hun gevoelige buurjongen Niels, de verteller, is ze een droomvrouw: een aanbeden dame in volwassen gezelschap, een vriendelijke, ongedwongen kameraad voor de kinderen uit het dorp. Tot de Forresters door het noodlot en de tijd worden ingehaald. De Kapitein verwordt na een zware val en verschillende beroertes fysiek tot een wrak, en komt financieel vrijwel aan de grond te zitten als de bank waar hij aandeelhouder van is failliet gaat en hij, uit ouderwets eergevoel, de enige is die de arme boeren hun geld terug wil geven. Marianne vlucht, eenzaam en wanhopig, in drank en jonge mannen. Zelfs in de armen van de adder in het paradijs, Ivy Peters, een jongen uit het dorp die in een gruwelijke scène wordt geïntroduceerd als hij voor de lol de ogen van een specht uitsteekt, en die uitgroeit tot een genadeloze, inhalige kapitalist.
Zo bezien is Een verloren vrouw een requiem voor oude waarden die het hadden afgelegd in het moderne Amerika. Geen populair standpunt, en mogelijk een van de redenen voor haar vrije-val-achtige statusverlies.
Maar in de jaren tachtig werd Cather plotseling herontdekt. Haar oeuvre werd uitgegeven in de onvolprezen Library of America en de eerste biografieën verschenen, die de aandacht behoorlijk kleurden. Want in haar levensloop, die ze altijd fanatiek had afgeschermd – veel van haar correspondentie werd vernietigd en uit wat overbleef mocht, testamentair vastgelegd, geen letter worden geciteerd –, kwamen prikkelende details voorbij. Dat ze zich als meisje een tijdlang ‘William’ liet noemen en jongenskleren droeg bijvoorbeeld. Haar onafhankelijke opstelling. Of de innige relaties die ze met vrouwen had. Feministische critici probeerden haar daarom te annexeren, uit te roepen tot een rolmodel voor lesbische schrijfsters. Het zal.

Tijdloos
Wat je nu bij het lezen van Een verloren vrouw vooral treft, is wat een begaafd stilist Cather was en hoe modern – of liever: tijdloos – haar proza aandoet. Lyrisch soms, in haar natuurbeschrijvingen en het verbeelden van Marianne’s schoonheid, maar, bij alle passie en drama in het verhaal, vaker opvallend kaal en ingetogen. Levens opgetekend met een gelijkmoedige, berustend soort afstand die juist daardoor een intimiteit en ontroering oproept. Met als resultaat dat je als lezer misschien wel haar definitie van geluk ervaart, gegraveerd op haar grafsteen: ‘to be dissolved into something complete and great.’
Zo voelde A.S. Byatt het destijds ook. ‘Toen ik voor de heruitgave van Cathers werk begon te lezen,’ schrijft ze, ‘dacht ik dat we een goede maar verwaarloosde auteur een nieuw lezerspubliek gingen geven. Maar Cather is niet zomaar een auteur – ze is groots, uniek.’ Een schrijfster van onverwoestbare klassiekers, eigenlijk.