Keerpunt

Tjitske Mussche ,

De roman 'Stop' van Aifric Campbell speelt zich af op de door mannen gedomineerde beursvloer. ‘Vrouwen die klagen dat ze tegengewerkt worden, daar kan ik niets mee.’

‘Er zijn veel overeenkomsten tussen bankieren en schrijven. Het is allebei heel intensief en gefocust, je maakt lange werkdagen. De competitie in de schrijverswereld is net zo groot als in de financiële sector. Op de beursvloer ben je zo goed als je laatste deal, in het schrijven als je laatste boek.’ Je komt ze niet vaak tegen: succesvolle investeringsbankiers die zich ontpoppen tot gelauwerde schrijvers. Hier in het Ambassade Hotel in Amsterdam zit er een. De Ierse Aifric Campbell, rond de vijftig, vrouw. Eind jaren negentig was ze zelfs de eerste vrouwelijke managing director van investeringsbank Morgan Stanley in Londen. Ze gooide het roer om na een postnatale depressie en in 2008 verscheen haar romandebuut De logica van het moorden (2008), dat zeer lovend ontvangen werd. Na De schade-expert (2010), verscheen onlangs haar derde roman, On The Floor, in Nederland wat ongelukkig vertaald als Stop. Daarin probeert de 28-jarige succesvolle Geri Molloy zich staande te houden op de door mannen gedomineerde beursvloer. Dat lukt aardig: ze sleept gigantische deals binnen, maakt net zulke grove grappen als de mannen en kan ook met seksistische opmerkingen best overweg. Maar een verbroken relatie en een getroebleerde jeugd breken haar op. Het boek volgt haar in de vier dagen waarin ze zich verliest in drank en slapeloosheid en afstevent op zowel een megadeal als een burnout. ‘Uiteindelijk gaan al mijn boeken over de invloed van het verleden op het heden.’
Maar behalve een psychologische roman is Stop vooral ook een kijkje in de keuken van een grote investeringsbank, Steiner’s genaamd in dit boek. Het speelt zich af begin jaren negentig. Over die tijd hoor je maar weinig, vindt Campbell, terwijl daar wel de wortels van de huidige crisis liggen. ‘Toen ik begin jaren tachtig bij Morgan Stanley begon, werden deals nog met de hand geschreven. Met de komst van quants, wiskundige analisten die blind geloofden in algoritmische formules en modellen, werd het vak complexer en riskanter. Mijn boek speelt zich af op dat keerpunt.’

All the way
Fictie over de financiële sector – volgens Campbell is het in Engeland inmiddels een heuse rage. ‘Maar ze gaan allemaal over slechte bankiers en hun trophy wives, van die roddeltantes die de hele dag cappuccino’s drinken.’ Campbell was voor dit boek juist geïnteresseerd in de verhouding van vrouwen ten opzichte van werk. ‘Hoeveel ze willen werken en wat ze voor ambitie hebben. Daar wordt soms ongemakkelijk over gedaan; ambitie klinkt macho en is niet sexy. Terwijl dezelfde eigenschappen bij mannen worden geprezen.’ Zelf heeft ze zich altijd gesteund gevoeld door mannen op de werkvloer. ‘Vrouwen die klagen dat ze tegengewerkt worden, daar kan ik niets mee. Ik geloof ook niet in het glazen plafond. Mannen hebben graag vrouwen op de werkvloer, heb ik ervaren, maar twijfelen wel aan hun toewijding. Dat snap ik wel, op een plek als de beursvloer moet je all the way kunnen gaan. En op hoge functies is het gewoon echt niet handig als je een tijd op zwangerschapsverlof bent.’ Vrouwen denken volgens Campbell te vaak dat ze geen promotie krijgen omdat ze vrouw zijn. ‘Ik denk dat ze dan vaak ook niet goed genoeg zijn. Bij mij heeft het waarschijnlijk ook langer geduurd dan bij een man met gelijke kwaliteiten voor ik promotie kreeg. Mijn tactiek was: laat zien dat je goed bent en hard wil werken, dan moeten ze je promoten. En dat deden ze. Sommige noemen dat een sellout, ik noem het pragmatisch. Je verandert het systeem niet in één nacht.’

Orange Prize
Quota voor vrouwen aan de top wuift Campbell dan ook lachend weg. ‘Dat dwingt bedrijven om vrouwen in het bestuur te krijgen, maar in de andere lagen, op de werkvloer, ontbreken ze. En als bedrijven geen vrouw aan de top willen, vinden ze nu wel andere manieren om dat niet te doen. Nee, het enige dat helpt zijn rolmodellen, vrouwen die laten zien dat ze het kunnen. Geen excuustruzen.’
Onlangs werd Aifric Campbell genomineerd voor de Orange Prize, een prestigieuze internationale prijs, maar wel alleen voor vrouwelijke auteurs. Is dat niet net zoiets als een quotum voor vrouwen aan de top? ‘Nee. De Orange Prize is misschien wel begonnen omdat er ook in de literaire wereld overal mannen op belangrijke posities zaten die alleen maar mannelijke schrijvers nomineerden, maar ik denk dat het inmiddels een handelsmerk is voor goede fictie. Uiteindelijk is het ook een service voor de lezer, er wordt zo veel gepubliceerd dat het moeilijk kiezen is. Het is fijn als zo’n prijs al selecteert.’